Extremisten vestigen macht in N-Mali

Ontheemden uit Noord-Mali vertellen over plunderende Toearegstrijders en radicalen die orde brachten. Verslag van de frontlinie in Mopti, waar geen buitenlander zich waagt.

Achter zouthandelaar Bah Diaviakoye op de kade van de stad Mopti onttrekt een waas van hitte en stof Noord-Mali aan het gezichtsveld. „De extremisten zijn daar aan de macht”, wijst hij naar de andere kant van de rivier de Niger. „Alle handel is tot stilstand gekomen. Niemand uit het zuiden durft meer naar Mopti te komen om mijn plakken zout te kopen. Iedereen probeert het noorden te ontvluchten.”

Mopti was het hartje van Mali, een kruispunt voor handelaren tussen de woestijn van het noorden en de boomsavannes in het zuiden. Nu is het de frontlinie in een oorlog tussen een zwakke regering in het zuiden en internationale extremisten in het noorden. „Talrijke inwoners van Mopti trekken weg”, vertelt toeristengids Niamanou, „uit angst dat het regeringsleger te zwak is om de stad te verdedigen. Uit voorzorg zijn alle banken gesloten en uit wraak zijn er Toearegs vermoord. Iedere avond gaan we met angst slapen.”

In het kielzog van een in januari begonnen rebellie van het Toearegvolk trokken extremisten een mantel van rigide islam over Noord-Mali. Toeareg-opstandelingen van de Nationale Beweging voor de Bevrijding van de Azawad (MNLA), die vochten in het leger van de gevallen Libische leider Gaddafi, keerden terug naar Mali en sloten een alliantie met Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb (AQIM) en Ansar ud-Din.

Het MNLA dacht deze extremistische groepen te kunnen gebruiken voor haar lang gekoesterde ideaal: de stichting van de seculiere Toeareg-staat Azawad. Het tegenovergestelde gebeurde: de moslimradicalen, rijk geworden met smokkel, drugshandel en ontvoering van westerse toeristen, zwaaien de scepter in vrijwel alle veroverde steden, ten koste van de seculiere MNLA.

Boubacar Traore hangt met honderden andere ontheemden rond op het terrein van de brandweer in Mopti. Hij ontvluchtte vorige maand met zijn familie zijn geboortestad Hombori in het noorden. „Ik ben er garagehouder”, begint hij zijn verhaal. „Eind maart arriveerden eerst de Toearegrebellen. Ze begonnen te plunderen en stalen mijn auto’s. Enkele dagen later kwamen de strijders van Ansar ud-Din. Ze herstelden de orde en riepen ons bijeen in de moskee. Ik vluchtte zonder enige bezittingen, want de Ansar ud-Din-strijders wierpen wegversperringen op. Als ze zien dat je de benen neemt met al je spullen, houden ze je tegen.”

Hij laat op zijn mobieltje een video zien, opgenomen toen Ansar ud-Din Hombori binnenkwam. Oumar, een zwaarbewapende leider van de groep, spreekt de bevolking toe en zegt: „Ons enige wapen is de islam. We kennen geen grenzen, we zijn verenigd door Allah. Er dienen strijders uit Nigeria en andere landen in onze gelederen en we willen dat de sharia in heel Mali wordt ingevoerd. Met de invoering van de islamitische wetgeving, zullen alle problemen worden opgelost.”

Garagehouder Traore steekt een sigaret op. „Dat mag nu niet meer in Hombori. Ook drank is verboden en vrouwen moeten sluiers dragen.”

Hij drukt de knop op zijn mobiel weer in. De video loopt verder. „De Toeareg-rebellen van de MNLA veroorzaken paniek, ze verkrachten vrouwen en stelen van iedereen. We arresteerden enkelen en zullen hen executeren als het moet”, schreeuwt de bebaarde Ansar ud-Din-leider Oumar. „Het MNLA heeft ons verraden, we willen helemaal geen onafhankelijke staat Azawad, wij vechten in naam van Allah.”

Alle ontheemden vertellen verhalen over plunderende MNLA-strijders, waarna Ansar ud-Din kwam om de orde te herstellen. „De Toeareg-rebellen braken de warenhuizen van het Rode Kruis open en gingen er met vele zakken graan vandoor”, zegt Abubakar Maiga uit de grote stad Gao. „Ansar ud-Din daarentegen deelt in de moskee zakken voedsel uit. De jongens van MNLA kennen we goed, het zijn onze buren en vrienden en aanvankelijk hadden we sympathie voor ze. Maar hoe kunnen we ze vertrouwen als ze van ons stelen? De Ansar ud-Din-strijders betrachten discipline, maar wij willen de sharia niet. En van AQIM moeten we al helemaal niets hebben, dat is een groep van extremisten uit Algerije. We hebben zoveel buitenlanders waargenomen onder hun strijders.”

Gossi Doumbe komt uit Douentza, een middelgrote stad waar onder meer het befaamde Dogonvolk leeft. De Dogons aanbidden hun voorvaders, een culturele gewoonte die onder de tolerante islam in Mali eeuwenlang werd toegestaan. Voor Ansar ud-Din is deze adoratie echter ‘haram’, strikt verboden. „Na het vrijdaggebed in de moskee trokken strijders van Ansar ud-Din naar het Dogon-heiligdom en sloegen alle beelden kapot”, zegt hij. „De Dogons zijn woedend, maar durven zich niet te verzetten.”

De opstand begon in januari met de aanval op het stadje Menaka, in het uiterste oosten van Mali. Terwijl met de meeste steden in Noord-Mali nog mobiel telefoonverkeer mogelijk is, werd de antenne in Menaka vernietigd. Anderboukane Gassera is een gepensioneerde regeringsmilitair die de stad ontvluchtte. „Menaka is onherkenbaar geworden, de meeste inwoners zijn gevlucht”, vertelt hij. „Alle ontwikkelingsprojecten en vele huizen zijn vernietigd.”

Volgens de beschikbare informatie is Menaka een van de heel weinige steden die nog geheel in handen is van de MNLA. „De Toeareg-strijders kwamen met heel zware wapens, ze hadden veel beter wapentuig dan waar wij in het regeringsleger over konden beschikken. Een oorlog met zulke wapens heb ik nog nooit in onze regio gezien. Hier kan het Malinese leger niet tegenop.”

In het kantoor van de gouverneur van Mopti houden de ambtenaren de schijn op de situatie onder controle te hebben. „Het Malinese leger heeft zich hier samengetrokken voor de verdediging”, zegt Said Tongara, de rechterhand van de gouverneur. Hij erkent dat Mali veel te groot is voor het regeringsleger om te controleren, laat staan het gebied op de extremisten terug te veroveren.

Zonder groot verzet van het regeringsleger konden de rebellen de steden in het noorden innemen. Toch houdt Said Tongara de moed erin. „Als de extremisten Mopti aanvallen zullen we ons tot de laatste druppel bloed verzetten. Mali heeft door de eeuwen heen veel grote rijken gekend. We hebben ons altijd verzet tegen indringers. En altijd hebben we ze verslagen.”