En alle Egyptenaren hebben hun eigen revolutie

Ruim jaar na de val van Mubarak is Egypte onherkenbaar veranderd. Het leger mag aan de macht blijven en de democratie is niet perfect. Maar er is argwaan tegen de macht. Gert van Langendonck, Kairo

‘Niet de situatie is veranderd, wij zijn veranderd.’ Zo vatte de Egyptische filmmaker Wael Omar vorige week tijdens een debat in het Frans cultureel centrum in Kairo de situatie in zijn land samen, vijftien maanden na de val van president Hosni Mubarak. Hij bedoelde dat de Egyptische ‘revolutie’ haar belofte misschien (nog) niet heeft waargemaakt, maar dat de geest die aanleiding gaf tot de opstand van vorig jaar niet meer terug in de fles is te krijgen.

Het optimisme over de ‘Arabische Lente’ is het afgelopen anderhalf jaar behoorlijk bekoeld. Vooral met betrekking tot Egypte, het grootste Arabische land en een historisch gidsland, waren de verwachtingen hooggespannen. Te hoog misschien. De term ‘Arabische Lente’, die overigens vooral in het Westen wordt gebezigd, hield zijn eigen teleurstelling in. Voor commentatoren was het een te makkelijke voorzet om over te stappen naar „lange, hete zomer”, „herfst” of „winter” toen de Arabische opstanden niet snel genoeg hun beslag kregen – zoals in Syrië – of niet het verhoopte resultaat boekten, zoals in Egypte.

Van een echte revolutie is in Egypte inderdaad geen sprake, als men de definitie hanteert van een radicale vervanging van een politiek systeem door een ander. Er hebben wel vrije parlementsverkiezingen plaatsgehad. Die hebben de Moslimbroederschap en de nog radicalere salafisten in een machtspositie gebracht. Volgende week is, als de rechter het toestaat, de eerste ronde van de eerste vrije presidentsverkiezingen. Maar tot nader order is het nog altijd de militaire junta die het voor het zeggen heeft in Egypte. Of het leger na de verkiezingen echt afstand wil doen van de macht, zoals beloofd, valt nog af te wachten.

De pessimisten, die vorig jaar waarschuwden dat het democratisch experiment in de Arabische wereld alleen slecht kon aflopen, lijken op het eerste gezicht gelijk te krijgen. In Egypte en Tunesië zegeviert de politieke islam, in Libië heeft het tribalisme de overhand, in Syrië dreigt een wrede burgeroorlog.

Folteren

Bekeken vanuit het standpunt van de activisten die aan de basis stonden van de Egyptische opstand is er inderdaad weinig om vrolijk van te worden. Neem Asmaa Mahfouz. Het Europees parlement kende haar vorig jaar de Sacharov-prijs voor de Vrijheid van Denken toe voor de manier waarop zij had bijgedragen aan „historische veranderingen in de Arabische wereld”.

Mahfouz, een frêle 27-jarige vrouw met hoofddoek, was een icoon van de Egyptische opstand. De video die ze in januari vorig jaar op het internet plaatste, wordt gezien als een katalysator voor het straatprotest dat tot de val van Mubarak leidde. „Wie zich een man noemt, moet mij op 25 januari volgen naar het Tahrirplein”, zei Mahfouz in de video.

Vorige week bevestigde een rechtbank een jaar celstraf voor Mahfouz, die er – vrijwel zeker valselijk – van beschuldigd wordt een mannelijke aanhanger van het leger te hebben afgeranseld. Mahfouz nam een dag voor het vonnis een vliegtuig naar Amerika, waar ze zich nu beraadt over haar volgende stap.

Met de veroordeling van Mahfouz is de cirkel rond. Hoewel iedereen in Egypte nu de revolutie claimt, van de legertop tot reclamemakers, zijn de revolutionairen van het eerste uur opnieuw personae non gratae geworden, net zoals ze dat waren onder Mubarak.

Is het dan allemaal kommer en kwel? Het hangt er vanaf hoe je het bekijkt. In 2010 keek de Egyptische schrijver Alaa al-Aswany nog met stomme verbazing naar de rel rond Gordon Brown en Gillian Duffy, een volkse vrouw in Manchester die de premier had klemgezet met een vraag rond sociale zekerheid en immigratie. Zich niet bewust van de microfoon van Sky News die hij droeg, noemde Brown haar achteraf tegen een medewerker een racist. Brown zag zich verplicht terug te keren naar Manchester om zich te verontschuldigen.

Als Duffy in Egypte had geleefd, schreef al-Aswany destijds, „was ze wellicht gearresteerd en naar de dichtstbijzijnde gevangenis gebracht om geslagen en gefolterd te worden”.

Dat laatste is nog altijd mogelijk: het leger wordt om de haverklap beschuldigd van het folteren van activisten. Anderzijds was dit anderhalf jaar geleden ondenkbaar geweest: kandidaten voor het presidentschap die alle hoeken van het land afreizen om gewone mensen te overreden om voor hen te stemmen, die deelnemen aan Amerikaans aandoende tv-debatten, of zich onderwerpen aan een urenlang kruisverhoor op televisie.

Het democratisch proces in Egypte is verre van volmaakt. Zo gaan de Egyptenaren volgende week naar de stembus om een president te kiezen terwijl nog niet eens begonnen is met het schrijven van de nieuwe grondwet die de functie van die president moet vastleggen.

Dat de rol van het leger doorslaggevend zal blijven staat vast. Kijk maar hoe lief de presidentskandidaten voor het leger zijn. Geen enkele kandidaat wil de confrontatie aangaan. De begroting van het leger zal geheim blijven, en de legerleiding zal zelf de minister van Defensie mogen aanwijzen.

Tegelijk is Egypte het afgelopen jaar ook onherkenbaar veranderd. Voor de opstand lokten betogingen tegen het regime tientallen mensen, die prompt opgepakt werden. Nu gaan de Egyptenaren met honderdduizenden straat op. Voor de opstand praatten Egyptenaren over voetbal omdat dit een veilig thema was. Nu praat iedereen ronduit over politiek.

De verkiezingen die volgden op de opstanden in Tunesië en Egypte hebben die landen in zekere zin geen stap verder gebracht. In westerse democratieën zijn verkiezingen een manier om de uittredende ploeg te belonen of af te straffen voor het geleverde werk. De Arabische kiezer heeft zo’n referentiepunt niet: het zijn de eerste vrije verkiezingen en de meeste partijen en kandidaten hebben geen bestuursverleden waarop ze kunnen beoordeeld worden. Dat veel mensen op fundamentalistische partijen stemden, was om religieuze redenen: iemand die vijf keer per dag naar de moskee gaat kan niet slecht zijn. Of om pragmatische redenen: alleen zij waren goed georganiseerd.

Mondiger

Anthony Shadid, de correspondent van de Washington Post die dit jaar overleed aan een astma-aanval in Syrië, formuleerde het zo in zijn laatste, postuum gepubliceerd artikel: „Als de opstand, die een jaar geleden het Midden-Oosten in zijn vaart heeft meegesleurd, het ontwaken was van een jonge generatie die droomde van een andere toekomst voor de Arabische wereld, dan is de nasleep ervan – de verkiezingen in Egypte en Tunesië, en het vooruitzicht van een beslissende islamitische politieke invloed in Marokko, Libië en mogelijk ook Syrië – het gloriemoment van een andere, oudere generatie.”

De algemene verwachting is dat die oudere generatie pas bij de volgende verkiezingen de rekening krijgt gepresenteerd. Dan zal de kiezer immers kunnen beoordelen of „de islam” inderdaad „de oplossing is”, zoals de leus van de Moslimbroeders luidt, of dat moslims uiteindelijk ook maar gewone politici zijn.

Het lijkt erop dat de Egyptische kiezer niet zo lang wil wachten. Met opiniepeilingen moet men altijd oppassen, helemaal in een land waar onafhankelijke peilingen nieuw zijn. Maar uit alle peilingen over de Egyptische presidentsverkiezingen blijkt dat de kandidaat van de Moslimbroederschap, Mohammed Morsi, onderaan bungelt. Na de monsterscore van de Moslimbroederschap bij de parlementsverkiezingen van begin dit jaar (37 procent) kan het verbazen dat de partij zo snel in populariteit is gedaald.

Dit is deels een weerspiegeling van de versplintering van het fundamentalistiche kamp. De Moslimbroeders hebben aan de rechterzijde te kampen met salafisten, die verrassend goed hebben gescoord bij de parlementsverkiezingen, en aan de linkerzijde met dissidenten uit het eigen kamp, die aan het leiderschap dictatoriale neigingen toeschrijven.

In de race voor het presidentschap staat nu Amr Moussa, het gewezen hoofd van de Arabische Liga, aan de leiding. Op de tweede plaats komt Abdelmoneim Aboul-Fottouh, een dissident van de Moslimbroederschap die zowel steun heeft van een deel van het liberale, seculiere kamp, als van de salafisten, wier eigen kandidaat geweerd werd.

Maar de neergang van de Moslimbroeders is ook een teken dat de Egyptische kiezer politiek volwassener wordt. Morsi’s bijnaam in de Egyptische volksmond is tegenwoordig ‘het reservewiel’. Dat komt omdat hij pas ingezet werd nadat de eerste keuze werd gediskwalificeerd omwille van een niet afgehandeld gerechtelijk dossier uit Mubaraks tijd. Morsi moet zich dezer dagen laten welgevallen dat tegenstanders naar zijn bijeenkomsten komen met autobanden om hem te tarten.

Het is de Egyptische kiezer vooral niet ontgaan hoe belust de Moslimbroederschap is op de macht. Toen Aboul-Fottouh eerder dit jaar uit de Moslimbroederschap werd gezet, was dat juist omdat hij zich kandidaat had gesteld voor het presidentschap. De Moslimbroederschap wilde toen nog niet meedingen naar het presidentschap omdat zij niet de indruk wilde geven het hele land te willen domineren. Pas toen Aboul-Fottouh het goed begon te doen in de peilingen besloot de broederschap toch mee te doen. Ook de halfslachtige houding van de partij over de excessen van het leger heeft een aantal mensen doen afhaken.

Toen kandidaat Morsi vorige week een bijeenkomst aan de Al-Azhar-universiteit in Kairo verliet, werd zijn konvooi uitgejouwd door een vrouw met hoofddoek die vanaf de vijfde verdieping uit volle borst riep: „Weg met het leger, en weg met de Moslimbroeders! De Moslimbroeders zijn verraders!” Een ‘Gordon Brown-moment’ was het nog niet. Maar de politici in Egypte zullen geweten hebben: de democratie is nog niet perfect, maar het kiezerspubliek is mondig geworden.