Een leven in mode

  Als vijftienjarige paste Jacoba de Jonge (1941) de trouwjurk van een zus van haar grootmoeder. Het was een bepalende ervaring. De jurk was zo stijf dat ze hulp nodig had bij het aantrekken, haar schouders werden naar achteren getrokken, haar rug werd hol. „Door die jurk voelde ik de andere tijd.” Toen de oudtante twee jaar

Een deel van de collectie van Jacoba de Jonge, te zien in AntwerpenEen deel van de collectie van Jacoba de Jonge, te zien in Antwerpen

 

Als vijftienjarige paste Jacoba de Jonge (1941) de trouwjurk van een zus van haar grootmoeder. Het was een bepalende ervaring. De jurk was zo stijf dat ze hulp nodig had bij het aantrekken, haar schouders werden naar achteren getrokken, haar rug werd hol. „Door die jurk voelde ik de andere tijd.” Toen de oudtante twee jaar later overleed, werd de jurk van haar. Het was het eerste stuk van wat een indrukwekkende verzameling zou worden.

Zo’n 2.500 kledingstukken en accessoires heeft De Jonge in ruim vijftig jaar bij elkaar gebracht. Verreweg het grootste gedeelte kreeg ze gratis. „Toen eenmaal bekend werd dat ik verzamelde, kwam het met bakken tegelijk binnen. Het meeste kwam uit verkleedkisten. Daar is nog steeds van alles in te vinden, daar ben ik van overtuigd.”

In het begin pakte De Jonge alles aan, maar toen ze in 1980 via de Kostuumvereniging in aanraking kwam met andere verzamelaars, besloot ze zich te specialiseren. „En ik vind vrouwenkleding van voor de Eerste Wereldoorlog gewoon interessanter.”

Een selectie van honderd stukken uit de verzameling van De Jonge is nu te zien op Een leven in de mode, vrouwenkleding 1750-1950 in ModeMuseum Antwerpen. Het MoMu is ook het nieuwe thuis van de verzameling. De Jonge, die jarenlang lezingen en shows rond haar collectie heeft georganiseerd, wordt zoals ze zegt „een dagje ouder”.

Ze had gehoopt op een opvolger, maar die diende zich niet aan. „Iedereen heeft twee banen, kinderen en een klein huis.”

Nederlandse musea waren geen optie. „Er zijn vijf of zes musea met een aardige kostuumcollectie, maar die hadden er allemaal een of twee topstukken uitgevist. Voor het MoMu is de collectie een echte uitbreiding. Bovendien draait het in Nederlandse musea altijd om moderne kleding. Alleen in Den Haag is nog wel eens iets ouds te zien.”

Wat is het origineel, wat imitatie? Wat is het origineel, wat imitatie?

Het nieuwste kledingstuk op de expositie in het MoMu, dat is de jurk met wijde rok en panterdessin van Dior uit 1954, een van de weinige stukken van na de Tweede Wereldoorlog uit de collectie van De Jonge. Het is naast een goedkopere Nederlandse jurk met hetzelfde silhouet gehangen, in een opstelling waarbij steeds een goedkopere, afgezwakte imitatie naast een modieus kledingstuk is gezet. In de verzameling van De Jonge zit een aantal Franse stukken, omdat welgestelde Nederlandse vrouwen hun kleren ook wel in Parijs aanschaften, maar het merendeel is Nederlands.

„Toen de conservator voor het eerst mijn verzameling zag, viel haar meteen op dat het merendeel niet 100 procent modieus is. In Nederland is de kleding altijd wat ingetogener van kleur en versiering geweest.” Bij de poppen staat niet aangegeven wat het modieuzere origineel is. Het grappige is, zegt De Jonge, dat veel bezoekers die ook niet herkennen. „Zo zie je dat de smaak is veranderd.”

Een leven in mode – de naam slaat zowel op het levenswerk van De Jonge als de tentoonstelling, die kleding voor verschillende aspecten van het vrouwenleven belicht – is vormgegeven als een boulevard; op de vloer zijn stenen geschilderd, op de muren zijn foto’s aangebracht van sportende, flanerende en anderszins actieve vrouwen. In de 19de eeuw gingen vrouwen zich vrijer in het openbare leven bewegen; ze begonnen te sporten, te wandelen, fietsen en winkelen. Kleren voor die activiteiten zijn allemaal opgesteld.

Daarnaast zijn er zwangerschapsjaponnen, die vooral tot doel hadden de zwangerschap zoveel mogelijk te verhullen, en zogenaamde deshabillés: ochtendjassen, rokken met jakken. Kleding die binnenshuis werd gedragen, vooral in de ochtend, die comfortabeler was gesneden dan middag- en avondjaponnen. Veel van de jurken zijn vermaakt het was vroeger heel gebruikelijk om stof te hergebruiken. Zuinigheid was ook een van de redenen dat vrouwen zich vroeger zo vaak verkleedden; hoe korter een kledingstuk achter elkaar wordt gedragen, hoe langer het meegaat.

Het is bij modetentoonstellingen tegenwoordig gebruikelijk om zowel contrast als overeenkomst tussen vroeger en nu te benadrukken, om tegenover antieke kledingstukken moderne te zetten. Dat is in Antwerpen niet gebeurd, en het is ook niet nodig. Wie kijkt naar een wandeljurk met crinoline uit de 19de eeuw of een speciaal fietskorset uit het begin van de 20ste eeuw, wordt zich meteen bewust van het comfort van de hedendaagse vrouwenmode.

Deze week verhuist het resterende deel van de collectie van de kelder van Jacoba de Jonge naar de depots van het museum in Antwerpen. Vindt ze dat niet moeilijk? „Zij hebben mij benaderd, en ik moest wel aan het idee wennen. Maar ik sta nu met plezier in te pakken.”

Een leven in de mode, vrouwenkleding. Tot en met 12 augustus, MoMu, Antwerpen.