Deze marktkoopvrouw kan wel degelijk president zijn van Malawi

Als in een Afrikaans land de chef van de politie, de gouverneur van de centrale bank en het hoofd van de staatsomroep op straat staan, dan is een coup meestal niet ver weg. Maar een staatsgreep is nu juist wat Joyce Banda na het plotselinge overlijden van president Bingu wa Mutharika, heeft weten te voorkomen. De eerste vrouwelijke president van Malawi (en na Nobelprijswinnaar Sirleaf Johnson in Liberia de tweede in heel Afrika) probeert schoon schip te maken in een democratie die in de touwen hing.

Banda is in haar eerste maand als een wervelwind van start gegaan. Ze benoemde een kabinet met ministers uit alle partijen, ontsloeg vertrouwelingen van Mutharika en probeerde internationale donoren, waarvan het kleine land voor een groot deel afhankelijk is, met kleine gestes weer rond de tafel te krijgen.

Zo kondigde ze eerder aan dat de door het Internationaal Strafhof gezochte Soedanese president al- Bashir niet meer zomaar naar Malawi kan komen. Vorige week devalueerde ze op aanraden van het Internationaal Monetair Fonds de nationale munt, in de hoop de export aan te zwengelen en zo het nijpend tekort aan buitenlandse deviezen te verminderen.

Mutharika weigerde eerder deze maatregel uit te voeren uit angst voor inflatie. Hij maakte ruzie met donoren, beknotte de media en liet protesten tegen zijn bewind hard neerslaan. Toen de Britse ambassadeur hem „autocratisch en niet ontvankelijk voor kritiek” noemde, werd die het land uitgezet.

Begin april overleed Mutharika. Zijn steunpilaren probeerden te voorkomen dat vicepresident Banda hem, zoals de grondwet gebood, zou opvolgen. Banda was minister in het internationaal alom geprezen eerste kabinet van Mutharika toen de president haar in 2009 vroeg om zich te kandideren voor het vicepresidentschap. Ze accepteerde het aanbod, maar de twee kregen al een jaar later onenigheid over Mutharika’s voornemen om zijn jongere broer Peter klaar te stomen als opvolger.

Banda werd uit de DPP gezet en de partij zette haar onder druk om ook het vicepresidentschap op te geven. Een „marktkoopvrouw”, hoonde de vrouw van Mutharika, kon onmogelijk president worden.

Maar Banda weigerde het vicepresidentschap neer te leggen: ze was daar tenslotte neergezet door de kiezers van Malawi, niet door de partij. Met haar nieuwgevormde eigen partij kondigde ze aan het in 2014 tegen de Mutharika’s te zullen opnemen. „Ja, ik ben een marktkoopvrouw en ik ben er trots op”, zei ze. „Dat zijn de meeste vrouwen in Malawi.”

Haar standvastigheid leidde tot de bijna-coup vorige maand. Twee dagen na het overlijden van de president belde ze de chef-staf van het leger en vroeg of ze op zijn steun kon rekenen. Hij zei ja, vertelde ze vorige week in The Guardian. „Dat het leger de orde herstelde is een teken dat we volwassen geworden zijn.”

Dat moet de komende tijd blijken. Onder doorsnee Malawiërs lijkt grote tevredenheid over de nieuwe president en de meeste lokale kranten zijn lyrisch over haar „goede start”.

Maar de DPP van Mutharika is nog altijd veruit de grootste partij van het land. Slechts 3 van de 193 parlementsleden behoren tot Banda’s People’s Party. Zij gingen in 2010 met haar mee toen ze uit de DPP was gezet. Om het tot de verkiezingen van 2014 uit te zingen, moet Banda niet te veel vijanden maken.

Correspondent Zuidelijk Afrika