De Bovenbazen

‘Waarom?’ vroeg Tom Poes. ‘Wat kan u zo’n toerist schelen?’

Maar heer Ollie volgde zijn eigen gedachten. Hij stapte uit en beklom peinzend de marmeren trappen van het Bankgebouw, dat ze intussen bereikt hadden.

‘Een Bommel voelt heel zuiver,’ verklaarde hij. ‘Het zou me niets verbazen, wanneer er iets verdachts achter zat. Wie heet er nu aws? Dat kereltje is geen toerist. Zullen we wedden?’

‘Goed, dan geen toerist,’ gaf Tom Poes verveeld toe. ‘Dan zal hij de baas van die benzinepomp geweest zijn.’

‘Mis!’ riep heer Bommel uit. ‘Dat was hij ook niet. Hij was geen bazentype, als je begrijpt, wat ik bedoel. Veel te klein van stuk. Zullen we wedden, jonge vriend?’

‘Als u dat leuk vindt,’ zei Tom Poes. ‘Maar niet te hoog, hoor. Ik heb niet veel geld.’

‘Ach kom,’ hernam heer Ollie. ‘Het gaat om het idee. Een florijn van mij tegen een duit van jou; dat aws niet de baas van de benzinepomp is. Aangenomen? Dan vraag ik het aan de kassier van de bank hier. Die kent iedereen!’

Nu, dat was zo. Toen de vraag hem werd voorgelegd veerde de kassier verrast achter zijn traliewerk omhoog.

‘aws?’ herhaalde hij. ‘Dat is Amos W. Steinhacker! Een van de Bovenste Tien, meneer Bommel; een bovenbaas, zogezegd.’

‘Een bovenbaas?’ herhaalde heer Ollie getroffen. ‘Hm, nu, in ieder geval had ik gelijk, jonge vriend. Helemaal geen gewoon bazentype, zoals ik al zei.’