Column

Aanpak Snoeproute

Als door een wonder belandde ik in het vliegtuig dat me terug naar Nederland bracht. De weg naar het vliegveld was geruime tijd versperd vanwege een losgeslagen karrepaard dat was gaan zwerven. Een roedel honden joeg daarna minutenlang krijsend achter de auto aan. De schoonmoeder van de vrouw van de kapsalon reed per ongeluk over een bedelaar heen. De schoonmakers op het vliegveld staakten. De plaatselijke luchtverkeersleiders staakten. Maar gelukkig vond de gezagvoerder in al deze chaos toch ergens een gaatje en hij steeg op.

Zodoende zat ik hoog in de lucht toen ik de roman Tortilla Flat van John Steinbeck las. Het boek had ik thuis in mijn tas gestopt omdat ik wilde leren hoe mensen zich in een gezelschap zelf organiseren en reguleren. Dit verhaal over een vriendengroep van kruimeldieven bood inderdaad geen loflied op het staatsgezag, maar op de mores van de onderklasse; een soort maffiacode in feite, een streng regelsysteem voor onderlinge omgang tussen mensen die het met de wet niet noodzakelijkerwijs zo nauw nemen.

In hoofdstuk twaalf steelt Big Joe Portugee geld van zijn huisgenoot Pirate en dus slaan zijn vrienden hem met stokken bewusteloos, krassen een kruis in zijn rug met een blikopener, wrijven zout in zijn wonden, wachten zorgzaam tot hij weer bijkomt en geven hem dan een glas wijn.

Diep onder mij in Nederland werd op datzelfde moment hard gewerkt aan de ‘Aanpak Snoeproute’. Scholieren in Dronten die straks afval op straat gooien, kauwgum bijvoorbeeld of wikkels van chocoladerepen, worden beboet door de politie, de straathoekwerkers van De Meerpaal afdeling welzijn, de milieuagenten en de wijkbeheerders van de gemeente. Ziehier de emancipatiewinst van onze moderne burgerij. Omdat vrijzinnige ouders in Nederland hun kinderen zelf niet meer durven op te voeden, sturen ze de politie erop af.

Enfin, ik hing dus op tien kilometer hoogte tussen het Zuiden en het Noorden en ik las Tortilla Flat. Een omstreden boek, waarover na de publicatie in 1935 veel verheven rumoer was ontstaan.

Politiek correcte lezers vonden de beschrijving van Steinbecks drankzuchtige schooiers namelijk underdoggish en discriminerend. Politiek bewuste lezers achtten de schrijver blind voor maatschappelijke problemen die ten grondslag liggen aan armoede en alcoholisme. Hotelbedienden in de Californische stad Monterey kregen de opdracht nieuwsgierige lezers wijs te maken dat er helemaal geen wijk met de naam ‘Tortilla Flat’ bestaat. In een brief aan zijn literair agent schreef Steinbeck: „De Kamer van Koophandel stelt mijn inspanningen niet op prijs, vermoed ik.”

Kennelijk had niemand de ethische inzet van Steinbecks boek begrepen. Al een leven lang was hij gefascineerd door het verschijnsel van de falanx, de georganiseerde groep, die als zelfstandig organisme ontstaat, bloeit en vervalt. Een organisme dat zichzelf de wet stelt en waarvan de leden onderling hecht verbonden zijn. „Je verwondde een van hen, en je riep wraakzucht op in allen. Een van hen werd aangeraakt door droefheid, en allen huilden.”

Nu had de man op de stoel voor me in het vliegtuig een Nederlandse krant bemachtigd. Over zijn schouder kon ik de nieuwsberichten mee lezen, en omdat ik tijdelijk een hoger standpunt had ingenomen, kon ik er ook duidelijk een patroon in ontwaren. In onze eigen maatschappij, stelde ik vast, worden de regels steeds minder dicht bij huis gesteld. In plaats van de gedeelde moraal komt het staatsgezag. In plaats van opvoeding en zelfregulering komt de Aanpak Snoeproute: een beroep op rechter, politie, wijkbeheerders, toezichthouders en Bureau Halt. De juridisering wint het van de onderlinge gestrengheid.

Het eerste bericht dat me tot deze conclusie bracht, ging over de Raad voor Journalistiek. Een instituut waar journalisten van oudsher zichzelf reguleren en waar ze elkaar met stokken voor straf op de voetzolen slaan als ze zich misdragen. Deze Raad, las ik, verliest rap zijn populariteit onder journalisten. Laat de rechter maar over ons waken, zeggen ze.

Het tweede bericht dat ik las ging over de Rotterdamse vervoersmaatschappij RET. Het bedrijf had gesprekken van passagiers afgeluisterd en geregistreerd. Voor de veiligheid, natuurlijk. Nederlandse strafrechtdeskundigen lieten weten dat het heimelijk afluisteren en opnemen van andermans gesprekken in de openbare ruimte strafbaar is.

Ik staarde een poosje uit over de wolken. Als de RET gesprekken opneemt om ze voor de veiligheid aan de politie te geven, en als dat opnemen zelf een strafbaar feit is, hoe komt het dan dat de politie daar nog niets van heeft gezegd? Of het OM? Of de rechter? Raken we zo niet een stap te ver van huis?

Nu vlogen we boven Nederland en ik kon alle snoeproutes zien liggen. Met daarlangs politie, rechters, straathoekwerkers, ik zag zelfs de verborgen camera’s, en ik vroeg me een ogenblik vanuit de hoogte af of ik wel weer naar beneden wilde. Maar ja, ik zag geen bedelaars en geen bewusteloze falanxleden, en als ik eerlijk was, moest ik toegeven dat dat toch ook wel prettig was.