Waarom Republikeinen wetenschap verafschuwen

The Republican Brain door Chris Mooney. Wiley 2011, 369 blz. €32,99

Waarom hebben Amerikaanse Republikeinen een probleem met wetenschap? In The Republican Brain betreedt wetenschapsjournalist Chris Mooney dit wetenschappelijke en journalistieke mijnenveld. Een mijnenveld, want hoe zit het met je onpartijdigheid als je er bij voorbaat vanuit gaat dat één van de twee partijen in je verhaal er structureel naast zit? ‘Waarom hebben de Democraten (liberals) meestal gelijk?’, vraagt Mooney zich ongegeneerd af. Politieke discussie zou toch moeten beginnen met een béétje overeenstemming over de feiten.

De standaardvoorbeelden van de Republikeinse afkeer van wetenschap zijn de wetenschappelijke conclusies over de opwarming van de aarde dor de mens en de evolutietheorie. Die worden over een breed front ontkend. Religieuze overwegingen om de evolutietheorie af te wijzen raken niet alleen de biologie, maar ook de sterrenkunde, geologie en paleontologie. Andere voorbeelden van het negeren van geaccepteerde wetenschappelijk kennis door Amerikaanse conservatieven liggen op het gebied van economie (verlagen van de belastingen zou de inkomsten van de overheid verhogen), de geschiedenis (de Verenigde Staten zouden zijn gesticht als ‘christelijke natie’ waar de scheiding van kerk en staat nooit de bedoeling is geweest) en medische wetenschap (abortus zou de kans op borstkanker verhogen).

Mooneys boek is prikkelend en interessant, onder andere omdat de lezer zich steeds moet blijven afvragen of Mooney zelf wel in het juiste spoor blijft. De premisse dat Republikeinen stelselmatig een loopje nemen met de wetenschap is voor wie de Amerikaanse politiek volgt plausibel, maar is juist wetenschappelijk moeilijk te staven. Wie hoort precies tot de Republikeinen? En zijn dat dezelfde mensen als ‘de conservatieven’ of ‘christelijk rechts’, begrippen die Mooney door elkaar gebruikt? En als hij ex-presidentskandidaat Jon Huntsman citeert – ‘Ik geloof in evolutie en vertrouw wetenschappers inzake opwarming van het klimaat.’ – is dat dan extra overtuigend omdat zelfs een Republikein vindt dat de Republikeinen het mishebben? Of is Huntsman juist een tegenvoorbeeld dat Mooneys uitgangspunt ondergraaft?

Mooney zoekt de verklaring voor de Republikeinse afkeer van wetenschap in persoonlijkheidstypen. Conservatieven houden niet van onzekerheid en dubbelzinnigheid, zou gebleken zijn uit psychologische studies en meta-analyses die hij aanhaalt. Ze zoeken zekerheid in dogma’s en patriottisme, geen nieuwe ervaringen. Mooney vertelt met duidelijk plezier hoe conservatieven ook deze wetenschappelijke bevindingen te vuur en te zwaard hebben bestreden.

Maar als je niet houdt van onzekerheid, kun je toch ook de feiten wél omarmen? Wetenschap is in lang niet alle landen een splijtzwam tussen links en rechts. Zouden Republikeinse politici en hun aanhang niet gewoon voor bepaalde standpunten kiezen omdat die kiezers opleveren, of campagnedollars? Dan zijn ze cynisch en resultaatgericht zoals overal, in plaats van cognitief gehandicapt, en kun je de Amerikaanse uitwassen wijten aan de Amerikaanse context.

En Mooney gaat ook de mist in als hij probeert zijn conclusies te relativeren. Conservatieven mogen dan niet zoveel hebben met de waarheid, ze hebben doorzettingsvermogen, leiderschap en loyaliteit als sterke eigenschappen. En die heeft hij hogelijk leren waarderen, schrijft hij enigszins wezelachtig. Waarmee hij zijn eigen uitgangspunt dat je het om te beginnen over de feiten eens moet zijn, laat varen.

Herbert Blankesteijn