Spaans, jong, arm en eeuwig stagiair

Een jaar geleden begonnen jonge Spanjaarden met straatprotesten. Een baan vinden is alleen maar moeilijker geworden. Wie niet emigreert moet leunen op familie.

Weinig economische cijfers gaan in Europa zo vaak over de tong als die van de jeugdwerkloosheid in Spanje. Ruim 50 procent van de Spanjaarden onder de 25 jaar kan nu geen baan vinden – althans de jongeren die in enquêtes zeggen de afgelopen vier weken actief op zoek te zijn geweest naar werk. Voor de hele beroepsbevolking ligt dit percentage inmiddels op 24,4 meldde het nationale bureau voor de statistiek INE vorige maand.

Over deze in Europa ongekend hoge cijfers verschijnen regelmatig verontruste commentaren en dramatische reportages. ‘Een sociale tijdbom’. ‘Een verloren generatie’.

Deze zaterdag een jaar geleden begonnen in Spanje de wekenlange bezettingen van pleinen door jongeren. De protesten worden dit weekend in heel Spanje herdacht – met nieuwe protesten. Er zal óók worden gedemonstreerd tegen de nieuwe ronde van staatssteun, die deze week aan de bankensector werd gegeven. En, weer, tegen de politieke klasse in het algemeen.

Wie veel met Spaanse jongeren praat – en dan zeker met de hoogopgeleiden – proeft niet alleen frustratie over de hoge werkloosheid. Wat bovenal boos maakt is de ‘precaridad’, hun hachelijke situatie op de arbeidsmarkt. De jongeren kunnen wel werk vinden, maar het is elke keer zeer tijdelijk, zwart, onder hun niveau en het wordt steeds slechter betaald.

Helemaal nieuw is dit niet. Al decennia leven jongeren in Spanje de eerste jaren van hun werkzame leven een onzeker bestaan. Tot eind twintig, begin dertig doorlopen velen een informele stageperiode. Daar klaagden Spaanse jongeren vroeger niet al te veel over. Hun ouders en andere familieleden, met een goed betaalde vaste baan, stonden klaar om hen te onderhouden.

Maar de crisis zet dit informele sociale contract tussen jong en oud onder druk. Steeds meer jongeren vrezen dat het er nooit meer van komt een zelfstandig leven op te bouwen. Een stabiele baan vinden, een huis kopen, trouwen en een gezin stichten: het raakt allemaal hopeloos uit zicht. Bijna nergens zijn nog vaste aanstellingen te krijgen. Klaagden jongeren voor de crisis over hun lot als mileurista (duizend-euro-verdiener), inmiddels geldt 700 euro als een heel behoorlijk maandsalaris.

De economische prognoses voeden de wanhoop. De werkloosheid zal nog verder stijgen, tot 26 procent volgend jaar. Daarna kan het nog tot midden jaren ’20 van deze eeuw duren voordat alle drie miljoen banen die de afgelopen vier jaar vernietigd werden, terug zijn.

Het betekent dat de komende tijd nog meer huiseigenaren hun hypotheek niet meer zullen kunnen betalen. Dit zal de onrust over de toch al sterk gewantrouwde bankensector verder opjagen. Ook zal de overheid, die momenteel juist fors wil bezuinigen, jaarlijks tientallen miljarden extra kwijt zijn aan werkloosheidsuitkeringen.

In een poging de arbeidsmarkt vlot te trekken, voerde Rajoys centrum-rechtse regering eerder dit jaar een arbeidsmarkthervorming door. Deze was stukken ambitieuzer dan die van de vorige socialistische regering. De vakbonden riepen een algemene staking tegen de plannen uit. In peilingen keurde tweederde van de ondervraagden de plannen af.

Maar volgens economen van onder meer de invloedrijke denktank Fedea pakt de regering nog steeds de kern van het probleem niet aan: de grote rechtsongelijkheid tussen werknemers met vaste en tijdelijke contracten. De riante ontslagbescherming die vaste ‘insiders’ genieten, maakt dat flexibele ‘outsiders’ vogelvrij zijn. Bedrijven nemen liever geen mensen in vaste dienst, want alleen na veel gedoe en tegen hoge kosten kunnen ze van hen af.

Spanje kende al voor de crisis een recordaantal tijdelijke krachten (circa 30 procent van het totaal). Deze groep – vooral jongeren en immigranten – staat nu massaal op straat. „Een deel van onze beroepsbevolking werkt eigenlijk in Noord-Korea, en een ander deel in Hong Kong”, vat econoom Juan José Dolado de ongelijkheid samen.

Jongeren willen wel meer rechten en stabiliteit, maar niet ten koste van de bescherming van hun oudere familieleden. Want die zijn juist in deze onzekere tijden het belangrijkste vangnet. Solidariteit is in Zuid- Europa allereerst binnen de familie geregeld, daarna pas binnen de samenleving. Het maakt dat elke hervorming van de arbeidsmarkt maatschappelijk zeer gevoelig ligt. Zeker nu ook vaste krachten beginnen te vrezen voor hun baan.

Drie jaar geleden lanceerden honderd economen een plan om de impasse te doorbreken. Zij bepleitten het hoge aantal contractvormen (nu 46) sterk terug te dringen en alle nieuwe arbeidsovereenkomsten onder één type contract af te sluiten. Dit ‘contrato único’ is niet vast, maar kent een gestaag oplopende ontslagvergoeding. Dit moet werknemers meer stabiliteit bieden, waardoor ze betrokkenheid voelen en harder en innovatiever gaan werken.

Werkgevers geeft het de zekerheid dat ze ook na een paar jaar nog relatief goedkoop van een kracht kunnen afkomen. Omdat het ‘eenheidscontract’ niet met terugwerkende kracht zou gelden, voorkomt het dat kinderen de rechten van hun ouders gaan verdedigen.

De huidige minister van Economie, Luis de Guindos, sprak voor zijn aantreden steun uit aan het contrato único. Sinds hij bewindsman is, deed hij dit niet meer. Binnen het kabinet zouden onder meer de minister van Financiën, Cristóbal Montoro, het voorstel electoraal te gevoelig vinden liggen. Montoro geldt als het politiek-financiële geweten van premier Rajoy, terwijl De Guindos juist meer de indruk wekt een technocratische buitenstaander te zijn.