Rente-balletje-balletje

Bankiers waren dol op Marcel de V. van Vestia, want niemand kocht zo veel en zulke ingewikkelde derivaten als hij. De risico’s waren nauwelijks meer in te schatten en de toezichthouder liet hem zijn gang gaan.

Illustratie Sebe Emmelot

Eens per jaar troffen de hoofdrolspelers in de Vestia-affaire elkaar in Apeldoorn, in de grote, rode zaal van theater Orpheus. Daar werd dan het congres Public Treasury gehouden. Ze liepen rond tussen een paar honderd mannen en vrouwen. Pakken en mantelpakjes. Een dag lang ging het daar over niets anders dan geld. Hoe komen publieke instellingen, zoals woningcorporaties er aan? Hoe komen ze er zo goedkoop mogelijk aan? Hoe ontwikkelt de rente zich? Welke risico’s zijn er? En wat zijn de mogelijkheden om rentelasten te drukken?

In 2009, toen Public Treasury voor het eerst werd gehouden, was de opkomst aardig. Maar in de jaren daarna groeide het uit tot een heus event. Een ontmoetingsplek voor twee werelden: de publieke sector en de financiële sector.

De financiële managers van overheidsinstanties en publieke instellingen – waaronder woningcorporaties als Vestia, maar ook ziekenhuizen en gemeenten – waren er. En vertegenwoordigers van internationale banken. Grote namen als Deutsche Bank, Goldman Sachs en BNP Paribas gingen het congres sponsoren. ABN Amro deelde er cupcakejes met zijn logo uit. Een andere sponsor was Fifa, het financieel adviesbureau van Arjan G. en Leroy van D., nu verdachten in de Vestia-zaak. Zij gaven presentaties op het congres. De hoofdverdachte in de Vestia-affaire Marcel de V., treasurer (kasbeheerder) van de corporatie, liep er ook rond.

Zo vonden vraag en aanbod elkaar in Apeldoorn, tussen de lezingen van gerenommeerde hoogleraren door. De woningcorporaties waren op zoek naar nieuwe leenvormen en manieren om de rente te drukken. En de bankiers verkochten de producten die dat mogelijk moesten maken, de zogeheten rentederivaten. Rentederivaten zijn een soort verzekeringen, die bedoeld zijn om renterisico’s te beperken.

Het interessantst voor de bankiers was Marcel de V. Als treasury-manager van de grootste woningcorporatie van Nederland was hij dé man. „Iedereen wilde zaken met Vestia doen”, zegt een financieel adviseur. „Het was echt een grote partij.”

In 2008 had Marcel de V. voor Vestia een derivatenportefeuille opgebouwd van zo’n 5,5 miljard euro. Eind 2011 was die gegroeid tot ruim 21,6 miljard euro, op zo’n 6 miljard aan leningen.

Problemen

De enorme derivatenportefeuille bracht Vestia in het najaar van 2011 in de problemen. Marcel de V. had veel renteverzekeringen afgesloten, in de verwachting dat de rente zou gaan stijgen. Met die verzekeringen was Vestia daar tegen beschermd. Maar de rente steeg niet. Hij daalde. Behoorlijk zelfs. En toen moest Vestia geld bijstorten bij de banken waarmee de verzekeringen waren afgesloten. Zo was dat nou eenmaal afgesproken in de contracten. In totaal ging het om ruim 1,6 miljard euro. Vestia had het geld niet en moest met noodleningen overeind worden gehouden.

Hoe kon Marcel de V. de afgelopen jaren zo’n enorme portefeuille met derivaten voor Vestia opbouwen? Hield het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) geen toezicht op de corporaties? Sinds 2008 – toen de rente na de val van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers ook scherp daalde – controleerde het fonds toch hoeveel en welke derivaten corporaties in bezit hadden?

Laks, noemt een betrokkene het toezicht van het WSW. Coulant, zegt een ander. Op papier bestaat er een prima controlesysteem. Dat staat beschreven in het WSW-jaarverslag over 2008 en 2009. Elke corporatie moet na afloop van elk kwartaal bij het fonds melden wat voor derivatencontracten ze had afgesloten. Dat besloot het WSW na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008. Op de website staat ook dat alleen derivaten zijn toegestaan die daadwerkelijk renterisico’s afdekken. Speculeren met derivaten staat het fonds niet toe.

Het WSW wilde niet meewerken aan dit artikel. De reden is dat Vestia momenteel „precair” overleg met banken voert over de afbouw van de derivatenposities, schrijft het fonds in een verklaring.

In de praktijk legde het WSW Vestia de afgelopen jaren niets in de weg bij het opbouwen van de derivatenportefeuille, waarmee ook gespeculeerd werd. Dat blijkt uit gesprekken met betrokkenen en bankiers – die deze gesprekken voerden op voorwaarde van anonimiteit. De advocaat van Marcel de V. was niet bereikbaar voor commentaar.

Het toezicht werkte niet goed, zegt een betrokkene. „Sommige corporaties leverden gewoon geen informatie over hun derivatenposities aan. Het WSW had erachter aan moeten gaan.” Maar het fonds deed het niet. Ook Vestia was een van de corporaties die geen informatie leverden aan het WSW. Ongestoord kon Marcel de V. een enorme berg rentecontracten afsluiten.

Heel soms durfde toch iemand een vraag te stellen over zijn werk. Iemand van het WSW deed een keer navraag bij een bank over een ingewikkeld rentecontract dat Marcel de V. daar had gekocht. De V. was woedend. Op de eerstvolgende vergadering van het WSW met treasury-managers van verschillende corporaties liet hij dat duidelijk merken. Tegen zijn collega’s zei hij dat ze voortaan maar geen informatie aan het fonds meer moesten leveren.

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw staat borg voor leningen die corporaties van banken aantrekken – op dit moment doet het dat voor in totaal 86 miljard aan leningen. Zo kunnen corporaties vaak tegen mooie rentetarieven lenen. Want, zo weten de banken, als een corporatie niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, springt het WSW bij. Het fonds kan voor maximaal 4,4 miljard euro uit de Nederlandse corporatiesector trekken. Mocht dat niet genoeg zijn, dan komt de rekening bij de Staat en gemeenten terecht. Kortom, voor banken is het bijna risicoloos lenen aan corporaties.

Maar de afgelopen jaren is de rol van het WSW veranderd, blijkt uit de gesprekken. Het fonds ging zich actief met rentederivaten bemoeien. Het WSW vond het prima dat sociale huisvesters als Vestia de meest complexe renteproducten afsloten, merkten bankiers. Die waren in principe bedoeld om de rentelasten van corporaties te drukken. Dus konden zij meer lenen, meer bouwen, groeien. Iedereen blij.

Vrijbrief

De banken gingen niet alleen meer bij hun cliënten, de corporaties, langs. Fortis, ABN Amro, Barclays, Credit Suisse, BNP Paribas, Deutsche Bank; allemaal kwamen ze ook op bezoek op het hoofdkantoor van het Waarborgfonds in Hilversum. Of ze nodigden WSW-directielid Martijn Rink uit om bij hen langs te komen. Dan kreeg hij de nieuwste soorten derivaten te zien. „Die bankiers kwamen gewoon een soort vrijbrief halen, door hun producten te laten goedkeuren”, vertelt een betrokkene.

Het WSW zei wel altijd expliciet dat het borg stond voor leningen en niet voor derivaten, maar in de praktijk zou het fonds ook voor verliezen op derivaten opdraaien. Dat bleek vorig najaar toen Vestia door zijn derivaten in de problemen kwam. Het WSW staat nog steeds borg voor de noodleningen die Vestia toen overeind hielden. Toen wisten de banken: ook als derivaten een probleem veroorzaken, laat het fonds de corporaties niet vallen.

In 2001 schrijft corporatie Woonzorg Nederland in zijn jaarverslag voor het eerst over derivaten. „Woonzorg Nederland maakt gebruik van rentederivaten waarmee geprofiteerd wordt van gunstige marktrentepercentages en waarbij risico’s tegen een aanvaardbare prijs zijn afgedekt.”

In die periode was het verschil tussen de korte en lange rente vrij groot. De korte variabele rente was laag, de lange vaste relatief hoog. Slimme jongens bij de corporaties kregen door dat ze daarom beter leningen met een variabele rente konden nemen, dan een lening met een vast rentepercentage. Het risico dat de variabele rente zou stijgen, werd afgedekt met een zogeheten cap: de corporatie betaalde een premie aan de bank, waarmee de bank de corporatie bij een stijging van de rente een maximum rentepercentage garandeerde.

Al gauw werden de financiële producten ingewikkelder, vertelt een bankier die derivaten aan corporaties verkocht. „Dat werd ingegeven door de Hollandse koopmansgeest. Een cap is een goede manier om renterisico’s af te dekken. Je betaalt er alleen een premie voor. Meestal betaal je die in één keer. Dat is op dat moment veel geld.” Een beetje cap kost al snel tussen de 5 en 10 procent van de onderliggende lening. Dus gingen corporaties op zoek naar andere producten, waarbij ze niet in een keer hoefden af te rekenen. Zo stapten de corporaties in swaps.

Het was een gouden business voor de bankiers. Hoe meer producten ze verkochten, hoe hoger hun bonus. En dus waren ze dol op Marcel de V. van Vestia. Niet alleen kocht hij veel producten, hij was ook altijd geïnteresseerd in de nieuwste, complexe mogelijkheden, zeggen betrokken bankiers. Tientallen miljoenen verdienden de banken de afgelopen jaren aan Vestia.

Of de ingewikkelde producten nog wel bij corporaties pasten? Daar dachten de meeste banken niet over na. Zij legden hun producten voor aan het WSW en gingen dan door naar de corporaties. „Banken wilden een goedkeuring van het WSW. Dan zat er een soort stempel op”, zegt een bankier die ook bij het WSW producten presenteerde.

De ingewikkeldste producten werden uiteindelijk aan het WSW voorgelegd, met klinkende namen als Atlantic exceed swap, Db pulse blend, DB Smart en Galileo. Een computermodel rekende op basis van historische rentegegevens uit waar de rente de komende tijd heen zou gaan, de zogeheten index. Gaf de computer aan dat de rente zou stijgen, dan werd op grond van die voorspelling door banken belegd. Bij deze rentecontracten – zogeheten index-swaps – betaalden corporaties een relatief hoge rente, maar daar werd de prestatie van de index vanaf getrokken. Zo werkte het.

De Deutsche Bank was de eerste die met deze producten kwam. En Marcel de V. van Vestia was de eerste die ze kocht. Het WSW keek er naar en stond ze toe, bevestigen verschillende bankiers. „Bij het WSW worstelden ze met de vraag hoe ze al die producten moesten beoordelen. Op een gegeven moment zeiden ze gewoon: zit er een cap op? Een plafond? Geen losse eindjes? Dan noemen we het een lening of een swap. Hoewel de producten steeds complexer werden”, zegt een van hen.

Er waren ook bankiers die waarschuwden voor deze index-producten. „Het is een black box. De risico’s zijn niet in te schatten”, zegt een betrokkene die toezicht moest houden op de producten die zijn bank aan corporaties verkocht. Want computermodellen kunnen wellicht een en ander voorspellen, maar een economische crisis waardoor de rente ineens gekke dingen doet, kan een computer niet voorzien. En dan kan het model de prullenbak in. „Ik heb het product afgekeurd”, zegt de bankier. „Wij hebben het niet verkocht. Maar daar maak je je bij de afdeling verkoop niet populair mee.”

Risicovol

In 2008 bleek hoe risicovol deze index-producten waren. Terwijl de index een gestaag groeiende rentecurve voorspelde, ging de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers plotseling failliet en brak de kredietcrisis uit. De curve bleek ineens totaal niet te kloppen met de realiteit. De rente donderde in elkaar. De index-swaps waren in één klap waardeloos.

In die periode kwamen de toezichthouders van het WSW erachter hoe riskant de derivatenportefeuille van Vestia eigenlijk was. Door de gedaalde rente – tegen de verwachting van Vestia in – eisten de banken dat Vestia onderpand zou bijstorten. In totaal had Vestia eind 2008 255 miljoen bij banken gestort, schrijft de corporatie in het jaarverslag 2008. Vestia had dat geld niet en moest een paar honderd miljoen lenen om de banken te betalen. Het WSW stond borg voor deze lening. Toen de rente weer steeg, kreeg Vestia het meeste geld terug en werd de lening terugbetaald. In mei 2009 stond er nog 45 miljoen bij de banken als onderpand.

Je zou zeggen: een mooi moment om de risico’s van Vestia te verkleinen. Maar in plaats daarvan kocht Marcel de V. in de jaren hierna juist meer renteverzekeringen, en nog meer. En het WSW greep niet in.

Waarom weet de betrokkene niet, maar er bestond tegenover Vestia een „bepaalde coulance”. Een voormalig bankier denkt dat het WSW mild voor Vestia was omdat het de grootste corporatie was.

Marcel de V. is de controle op derivatenportefeuille de laatste jaren kwijtgeraakt, zeggen betrokkenen. „Hij hield veel te veel ballen in de lucht”, zegt een bankier. Verliezen op de ene verzekering werden door hem goedgemaakt door zelf renteverzekeringen te verkopen aan banken, blijkt uit financiële stukken over de derivatenportefeuille van Vestia. Hij goochelde met posities. Dekte gaten af. En haalde kunst- en vliegwerk uit. Zo sloot hij swaps om variabele rente op leningen, vast te zetten. Vervolgens sloot hij echter een lening met een vaste rente. Die vaste rente maakte hij vervolgens weer variabel met een tegengestelde swap. De potentiële verliezen op de ene swap, werden dan weer goedgemaakt door de winst op de tegengestelde swap.

Vestia speelde een soort bankje door zelf renteverzekeringen aan verschillende banken te verkopen. Daarvoor kreeg de corporatie dan weer een premie van de banken, die gebruikt werd om de kosten van gekochte renteverzekeringen naar beneden te brengen. In totaal verkocht Vestia voor bijna 6 miljard euro aan dit soort verzekeringen.

Misschien dacht De V. werkelijk dat het uiteindelijk goed zou komen, oppert een bankier. Als bij roulette. Nog één keer alles op rood. Als de rente weer zou stijgen, zou De V. uit de problemen zijn.

Bij het WSW waren ze het zicht op de portefeuille van Vestia allang kwijtgeraakt, vertelt een betrokkene. „Er is gewoon te weinig kennis om dat allemaal te kunnen beoordelen en de risico’s in te schatten.” Bij banken werken tientallen gespecialiseerde juristen die contracten die bij derivaten horen, – zogeheten standaard contracten van de International Swaps and Derivatives Association (ISDA) – plus gespecialiseerde bijlagen behandelen. De bankiers die derivaten aan corporaties verkochten, maakten gebruik van deze juridische specialisten. Bij corporaties zitten nauwelijks experts op dat terrein. Zo kwamen ze weer bij Martijn Rink van het WSW terecht, zegt een bankier. „Die keek er dan naar, maar hij is ook geen expert.”

Op de website van het WSW meldt het fonds dat ze met twaalf banken contact hebben gehad over de standaardcontracten. Deze financiële instellingen hanteren volgens het WSW overeenkomsten „die niet strijdig zijn met de voorwaarden van het WSW”.