‘Relativeren lukt me niet’

Wilfried de Jong bestelt garnalenkroketjes en vertelt dat zijn ziel in zijn laatste boek zit. ‘Relativeren is me nog niet gelukt.’

Wilfried de Jong: ‘Ik stel mezelf op de proef.’ Rechts een fietsframe van Dario Pegoretti, speciaal gemaakt voor De Jong.

De werkplek van Wilfried de Jong (54) komt toevallig ter sprake. Die heeft hij namelijk nooit gehad. Als kind niet, toen hij in een flat in een Rotterdamse volkswijk woonde en een kamer deelde met een van zijn twee jongere broers. Niet toen hij als journalist bij Het Vrije Volk werkte. Niet toen hij het programma Sportpaleis de Jong voor de VPRO maakte. „En de column voor NRC Handelsblad schreef ik de afgelopen zeven jaar aan een bureautje in de slaapkamer.” Zijn handen maken de omtrek van een stoeptegel. Zijn lichaam klapt hij voorover. „De rand van het bed in mijn rug.” Maar nu is hij verhuisd van een appartement aan de Kop van Zuid in Rotterdam naar elders in de stad en heeft hij voor het eerst een eigen kamer.

Wilfried de Jong is de man zonder plek. Of, als dat duidelijker is: hij is de man die niet ‘in een hokje past’. Hij was een journalist met een theatershow. Een theaterman met een televisieprogramma. En nu is hij een televisiepresentator die boeken schrijft. „Maar ik ben niet die jongen van televisie die zo nodig ook een boek wil schrijven. Nee. Ik wás al schrijver.”

Pas als we al bijna klaar zijn met de lunch, snap ik hoe belangrijk het voor hem is om als schrijver gezien te worden. We hebben net twee bonbons als dessert gekozen, de kelner van restaurant Huson pakt ze met zijn witte handschoenen voorzichtig op en legt ze op een klein zwart marmeren tegeltje naast ons bord. De drukproef van Wilfried de Jongs nieuwste boek Kop in de wind ligt naast me op de bank. Hij wijst ernaar en zegt dat zijn ziel daarin zit. „Maar dat begrijpt niet iedereen.” Hij vloekt. Rechttoe rechtaan, zoals Rotterdammers doen. „Gódverdomme.”

Vorig jaar mei is hij begonnen het te schrijven. „De eerste versie is nooit meteen goed. Er komt een tweede, een achtste, een tiende versie. Twee weken geleden heb ik het nog een keer helemaal nagelezen. Weer kleine foutjes, stijldingetjes, overbodige woorden. Het houdt niet op.”

Perfectionistisch?

„Ik word boos als ik een foutje maak.”

Controlfreak?

„Dat ook. Relativeren is me tot nu toe niet gelukt.”

Hij vertelt over de allerlaatste theatervoorstelling die hij gaf als duo met Martin van Waardenberg. „Terug in de auto zaten we hardop na te denken. Tweehonderd keer had een zaal gelachen om een grap. Maar die avond niet. Hoe kon dat? Hadden we even een seconde stil moeten zijn? Een stapje opzij moeten zetten? Of toch eerst dat kuchje en dan de grap? Zo zaten we te bedenken hoe we het de volgende keer beter zouden doen. Dat vind ik fijn. Ook al komt er nooit meer een volgende keer.”

Alles tegelijk doen is voor hem vanzelfsprekend. „Ik kan moeiteloos een paar keer op een dag schakelen.” Vanmorgen maakte hij een stuk voor de krant af, schreef wat ideeën op voor de theatervoorstelling die hij volgend jaar wil doen en bekeek de montagebanden van het programma 24 uur met... dat nu weer op televisie is. Wilfried de Jong sluit zich met een gast op in een kleine ruimte. Geen klok en telefoon, vijf camera’s. Praten, koken en slapen. Na een etmaal gaat de deur weer open.

Ik zeg dat me dat geen sinecure lijkt voor een man die niet in een hokje past.

Hij knikt. Vandaag zou hij een aflevering van 24 uur met... opnemen. Maar de afspraak is verzet. „Het voelt alsof ik niet naar de gevangenis moet.”

We bestellen allebei twee garnalenkroketjes. Ik vraag waarom hij Wilfried heet. Zijn broers heten Ewald en Egbert, zijn zus Franciska. Klinkt zo Duits. Hij proeft even zijn eigen naam. „Wil-fried. Lelijk hè. Komt door die i-klank.” Ik vraag of hij weleens aan zijn ouders heeft gevraagd naar de herkomst van hun namen.

Hij is stil. Wrijft over zijn haarloze hoofd. Zegt dat de waarom-vraag altijd centraal staat in zijn werk. „Maar aan mijn ouders heb ik weinig gevraagd waarom.”

Ik vraag waarom.

„Omdat ik aannam dat alles was zoals het was. Mijn ouders leidden een goed en sober leven. Ik heb ze nooit ter verantwoording hoeven roepen, ik had geen kwesties met ze of onopgeloste problemen. En dus ook geen vragen.” Ze zijn niet al te lang geleden kort na elkaar overleden. Hij trommelt met zijn handen op zijn borst. „Het schroeit”, zegt hij. „Ik mis ze niet constant, ik ben niet overmand door verdriet. Maar soms, als ik mijn dochter van negen in het zwembad zie duiken in de vakantie, zo mooi in het tegenlicht van de zon, dan doet het even pijn vanbinnen. Dan voel ik dat mijn moeder er niet meer is.”

Op zijn zeventiende, net klaar met het atheneum, vonden zijn ouders het prima als hij een tijdje rond zou kijken. „Heel ontspannen waren ze. Zeker voor die tijd.” Hij wilde wel naar de kibboets. En om daar te komen, ging hij werken. Als verpleeghulp in een verzorgingstehuis. In een pindakaasfabriek deksels op potten leggen. Aan de lopende band melkflessen controleren.

Veel mensen zouden zulk werk geestdodend noemen. De eenvoud ervan lijkt Wilfried de Jong juist te verkwikken. Luister hoe smeuïg hij kan vertellen over de container vol bedorven vijgen in de Rotterdamse haven die hij als uitzendkracht moest schoonmaken. „Die deur gaat open. Zo’n klont geplette derrie. Dikke brij. Vliegen. Maden. Vies!”

Meerkoetje

Van een detail kan hij een verhaal maken. Lees de verhalen in het boek Kop in de wind, waarin de ik-figuur al fietsend van alles beleeft. Een klein bordje langs de weg met daarop ‘Mona Lisa 500 meter’ leidt tot een avontuur. Het verhaal dat begint met een meerkoetje dat per ongeluk tussen de spaken komt, wordt een thriller.

We bestellen de koude rosbiefschotel. Hij eet vaker bij Huson. Als vrienden jarig zijn, of met de redactie van 24 uur met... om het seizoen af te sluiten. Ik vraag of hij veel moeite moet doen om zo slank te blijven. Hij ziet er afgetraind uit.

Hij zegt dat hij alles kan eten en toch niet aankomt. „Ik sport ook niet overdreven veel. Twee keer in de week fietsen, dat is het wel.” Hij herinnert zich de foto van Johan Cruijff, genomen na de allerlaatste wedstrijd die hij speelde voor Feyenoord. „Hij zit op de massagetafel onderin de Kuip.” Dezelfde massagetafel die Wilfried de Jong gebruikte in zijn programma Sportpaleis de Jong. De sporters ontkleed op tafel, lamp erop, en Wilfried de Jong die ze ondervroeg.

„Cruijff was zeker niet mijn held toen. Maar op die foto zie je een man van 37 zitten. Een sixpack. He-le-maal strak. Geen grammetje vet.” Fantastisch, vindt hij dat. „Dat die man zijn vak zo serieus nam.”

Ja, hij heeft bewondering voor topsporters. Of eigenlijk voor iedereen die zich een doel stelt en dat op eigen kracht bereikt. „Mensen die zeggen: deze maand drink ik niet. Of: ik kom dit jaar geen gram aan.

Ik vraag hem wat daar zo bijzonder aan is.

„Die mensen meten hun waarde daaraan af. Ze vragen er aandacht mee, en krijgen er waardering voor.”

Ik zeg dat me dat een beetje overdreven lijkt.

Hij schudt zijn hoofd. „Het is de overgave. De verdwazing van mensen om iets te bereiken. Dat is mooi. De topsporter die alles geeft voor een honderdste van een seconde tijdswinst.”

Het is ook een beetje monomaan.

„Jij zegt monomaan. Maar de contrabassist die zes uur per dag de aanstrijk van de e-snaar oefent, noem je die monomaan? Nee, die noem jij knap. Je koopt een duur kaartje voor het concert en zegt: ‘wat speelt-ie prachtig’.”

Het fotomodel zonder rimpels. De politicus die zes dagen werkt en met een koffer vol dossiers naar huis gaat, de journalist die manisch stukken schrijft. „Het is dezelfde gekte. Alleen is het doel bij sporters makkelijk te formuleren. 100 meter rennen onder de 10 seconden. Eerst ren je het in 13.85 seconden. Je traint twee weken en het is 13.14. Hé, dat is leuk. Als je nou maar alle dagen traint, dan lukt het.” Zelf had hij ooit nog het plan om élke dag op televisie te komen. „Elke avond een interview van een kwartier. Ook met Kerst en Oud en Nieuw of als je wat mankeert. Gewoon kijken of ik het haal.”

Bloed tussen de kiezen

Wat hij ontzettend goed kan is zwijgen. Tijdens de uitzending van 24 uur met... doet hij het vaak en veel. Stilte maken, noemt hij dat. „Met een vreemde opgesloten zitten is ongemakkelijk. Iedereen wil de stilte volpraten. Ik ook. Maar ik dwing mezelf geen vraag te stellen. Tel de seconden dat het stil is. Bloed tussen mijn kiezen. Stilte is goed. Het geeft de ruimte om na te denken wat er gezegd is. Iemands ongemak levert veel informatie op.” Het is hem niet te doen om het effect, zegt hij. „Ik maak geen reality-tv. Wat ik maak is slow journalism.

Mensen vragen hem vaak: hoe doe je dat, slapen in dezelfde ruimte als PVV-Kamerlid Fleur Agema , schrijver Richard Klinkhamer die zijn vrouw vermoordde, SP-leidster Agnes Kant? „Er zijn altijd momenten dat ik wil ontsnappen. Dat ik denk: als de deur nu opengaat, ben ik weg.”

Dat klinkt alsof hij een piloot met hoogtevrees is.

Hij denkt dat dat wel klopt. „Ik stel mezelf op de proef. In het begin schoor ik me 24 uur niet, waste me niet, nam geen schone kleren mee. Dat vond ik horen bij de beproeving. Ja, ik ga wel altijd slapen. Freek de Jonge wilde wakker blijven. Maar dan wordt een gesprek gewauwel. Je denkt dat je de sterrenhemel bereikt, maar je komt niet verder dan het wolkendek.”

En welk doel is er na 24 uur bereikt?

„Voor de geïnterviewden kan het doel van alles zijn. Misschien wilden ze een boek verkopen. Of ze zochten aandacht. Of hadden behoefte een etmaal lang het leven analyseren.”

En wat is het doel voor Wilfried de Jong? „Mijn doel is een goede uitzending. En ik wil iets opsteken van een interview.”

De lunch duurde bij lange na geen 24, maar hooguit tweeënhalf uur. Ik vraag of hij nu ook iets opstak.

Hij is even stil en zegt van wel. „Ik vraag me nu af waarom ik nooit aan mijn ouders heb gevraagd waarom.”