Orgiën, wij willen orgiën!

Homerus, de Franse keuken, het totaalvoetbal. Europa is meer dan het Griekse failliet en de politieke crisis. In een wekelijkse serie over de cultuur die het continent bindt: de films van Fellini.

La dolce vita – Marcello Mastroianni en Anita Ekberg in de Trevi fontein.

Corrigeer me als ik het mis heb, maar Federico Fellini, de maker van eeuwige klassieken als La strada en , is de enige filmregisseur van wiens naam een bijvoeglijk naamwoord is afgeleid. Recensenten mogen weleens spreken over ‘tarantinesk’ of ‘warholiaans’, tot het dagelijks taalgebruik zijn dat soort begrippen niet doorgedrongen. Terwijl je bij het vaak gehoorde ‘felliniaans’ – of in het Engels: felliniesque – meteen weet wat er wordt bedoeld: iets surrealistisch, iets extravagants, iets liederlijks, iets met decadente naakte lichamen en groteske eetgewoonten. De wereld als een pervers circus, zoals dat is afgebeeld in La dolce vita (1960), de met de Gouden Palm bekroonde satire over de verveelde jetset van Rome, of in Fellini Satyricon (1969), dat een nieuwe invulling gaf aan het begrip Romeinse orgie.

Eigenlijk hoef je niet eens naar een Fellini-film te zijn geweest om er een beeld van te hebben. Sommige memorabele scènes hebben zich losgezongen van de films waarin ze voorkomen: een Christusbeeld bungelend onder een helikopter, een wulpse blondine in de Trevi-fontein, een oceaanstomer die opduikt in de nacht. Sommige personages zijn een eigen leven gaan leiden: de boef die zich verkleedt als priester, de grootogige vrouw met het bolhoedje, de fanatieke roddelbladfotograaf wiens naam – Paparazzo – een soortnaam is geworden.

Twintig jaar na zijn dood is Fellini nog steeds hofleverancier van de internationale populaire cultuur. Voor generaties striplezers wordt het beeld van zijn films zelfs bepaald door de paginavullende parodieën in Asterix en de Helvetiërs (Goscinny & Uderzo, 1970), waarop Romeinse bacchanalen – met Wein, Weib, Gesang én kaasfondue – felliniaans zijn weergegeven. Kijk naar de plaatjes en je ziet een van de beroemde citaten uit de Asterix-strips tot leven komen: ‘Orgiën, wij willen orgiën!’

Federico Fellini (1920-1993) is de opvallendste vertegenwoordiger van de Italiaanse cinema, die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog een ongekende bloei doormaakte. Regisseurs als Luchino Visconti, Vittorio de Sica en Roberto Rossellini maakten gebruik van de infrastructuur die door het fascistisch regime was opgebouwd als tegenwicht tegen de Hollywoodfilms (Cinecittà!) en werden groot in het neorealisme, dat verhalen van en voor het ‘gewone volk’ vertelde. In de jaren vijftig gingen ze steeds vrijer filmen en exporteerden ze de zogeheten arthousefilm met veel succes naar de rest van Europa en Amerika. Alleen al Fellini, die na een carrière als journalist en cartoonist was begonnen als scenarioschrijver voor Rossellini (Roma, città aperta, 1945; Paisà, 1946), behaalde tussen 1945 en 1976 dertien belangrijke Oscarnominaties, waarvan hij er vier verzilverde: twee voor zijn neorealistische meesterwerken La strada en Le notti di Cabiria (beide met zijn vrouw Giulietta Masina in de rol van een simpele vrouw met een hart van goud) en twee voor films die hij na 1960 maakte onder invloed van de onderbewustzijnstheorieën van de Zwitserse psychoanalyticus Carl Gustav Jung: (Otto e mezzo), over een filmregisseur in een identiteitscrisis, en het autobiografische Amarcord (‘Ik herinner mij’ in het dialect van Fellini’s geboorteplaats Rimini).

Dromen, fantasieën en herinneringen kleuren de films van Fellini, of ze zich nu afspelen in het Rimini van zijn jeugd, in het Rome van de jaren vijftig, of het Campania van de Romeinse tijd. En allemaal waren ze volgens de maestro autobiografisch, ook de verfilming van de schelmenroman Satyricon van de eerste-eeuwse Romein Petronius, met zijn homoseksuele, door nymfomanie en impotentie geplaagde helden. „Als ik een film zou gaan maken over een scholfilet, dan zou die nog over mij gaan,” luidt een van zijn meest geciteerde uitspraken. En: „Alle kunst is autobiografisch; de parel is de autobiografie van de oester.”

Volgens de critici is de echte parel trouwens uit 1963, waarin Fellini’s film-alter ego Marcello Mastroianni een levensgroot director’s block doormaakt dat de grenzen tussen werkelijkheid en fictie doet vervagen. Thematisch en stilistisch vernieuwend, rakend aan persoonlijke obsessies en maatschappelijke problemen, maar vóór alles ontroerend en grappig. De circus- en marsmuziek die Nino Rota erbij componeerde sluit er perfect op aan en werd sindsdien gezien als een vast element van elke Fellini-film.

De regisseur die zich uit zijn crisis filmt, is tegenwoordig een cliché, maar het was Fellini die er als eerste groot mee werd. Zijn werd nagevolgd door regisseurs van over de hele wereld: de Amerikaan Arthur Penn (Mickey One, 1965), de Duitser Rainer Werner Fassbinder (Warnung vor einer heiligen Nutte, 1971), het Nouvelle Vague-kopstuk François Truffaut (La nuit américaine, 1973), de Rus Vadim Abdrasjitov (Planetenparade, 1984), en natuurlijk Woody Allen, die in zijn hommage Stardust Memories (1980) zelfs vasthield aan de beeldtaal (glorieus zwart-wit) van het origineel.

De lijst van filmregisseurs die door Fellini beïnvloed zijn, is nog veel langer. Stanley Kubrick noemde I Vitelloni (1953) als zijn favoriete film aller tijden; het verhaal, over een groepje lanterfanters in een klein stadje, inspireerde onder meer Martin Scorsese tot Mean Streets en Barry Levinson tot Diner. Ingmar Bergman, Bernardo Bertolucci, Peter Greenaway en Terry ‘Monty Python’ Gilliam – allemaal hebben ze zich schatplichtig verklaard aan de meester uit Rimini. Maar ze zijn er geen van allen in geslaagd om hun naam in het woordenboek te krijgen.