Leven met vogels van alk tot zebravink

Vreemdgaan werd verzwegen. Er was gewoon geen plek voor in de vooroorlogse gedragsbiologie. “Ornithologen hebben de monogamie van vogels altijd bejubeld”, zegt Tim Birkhead, hoogleraar gedragsecologie aan de University of Sheffield. Hij gaf vrijdag de Tinbergenlezing, een jaarlijkse lezing tere ere van de Nederlandse gedragsbioloog en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. Promiscuïteit onder vogels is Birkheads specialisme.

“Als ze toch zagen dat een mannetje met een ander dan zijn partner paarde, dan werd dat weggewuifd. ‘Het mannetje was ziek.’ ‘Zijn hormoonspiegel was uit evenwicht.’ Of: ‘Het mannetje verwarde het vrouwtje met zijn partner.’”

Het waren de jaren 70, Birkhead zat als student biologie in de collegebanken van Newcastle University. “Het college ging over spermacompetitie in strontvliegen.” Mannetjes die als laatste met een vrouwtje paarden, bleken de meeste nakomelingen te krijgen. Vanuit het perspectief van de mannetjesstrontvlieg is overspel geen afwijking, maar strategie. “Die lezing is me altijd bijgebleven. Ik vroeg me meteen af of zoiets ook bij vogels speelde.”

Het vliegenonderzoek was de exponent van een paradigmaverschuiving in de gedragsbiologie. Niet de groep, maar het individu stond vanaf nu centraal. “Alleen zo is promiscuïteit te verklaren.” Een mannetje dat vreemdgaat krijgt meer nakomelingen, een vrouwtje krijgt misschien nakomelingen van betere kwaliteit.

Was dit alleen voortschrijdend inzicht? Of waren ornithologen ook preutser, vroeger? “Ik denk dat je dat niet los kan zien van de individualisering van de maatschappij en de verruiming van de seksuele moraal. Toen twee van mijn vrouwelijke studenten een lezing gaven, waarbij ze woorden als penis en vagina natuurlijk niet schuwden, zei mijn oude begeleider me later: ‘In mijn tijd spraken vrouwen niet over zulke dingen.’ Op fluisterende toon.”