Koolmezen helpen de buren

Koolmezenvaders en -moeders hebben het razend druk. Aan het einde van de winter moeten ze een goed plekje uitzoeken voor een nest. Daarna moeten ze dat gat in een boom, die spleet in een muur of dat nestkastje bekleden met gras en mos en plukjes wol. En dan, ja, dan krijgen ze pas echt veel te doen.

Eieren leggen en uitbroeden. Hun kroost vetmesten met insecten en verse rupsen. Het nest schoonhouden...Ze hebben gewoon geen moment rust.

Bovendien moeten ze voortdurend opletten, want voor je het weet steekt er een wezel zijn poot in het nest. Of een eekhoorn. Ook de kop van een gulzige specht past met wat hakwerk precies door de opening van een nestkastje.

Oei. Hoe lukt het de mezen om kindermoord voor te zijn?

De beste manier is: naast bekende buren blijven wonen. Dat ontdekte een bioloog van de Engelse universiteit van Oxford. Zij hield groepen mezen in de gaten. En zij merkte dat mezennesten minder vaak leeggeroofd worden als mezenouders ze steeds op dezelfde plek maken. Tussen dezelfde buurmezen.

De verklaring is niet moeilijk: als een geschrokken ouder alarm slaat, komen die buren aangevlogen. Samen verjagen de mezen dan de boosaardige indringer met veel gekwetter, gefladder en kabaal.

En je raadt het al: zulke hulp komt vooral van buurmezen die al langer buren zijn. Die dat vorig jaar ook al waren. En vaak nog veel meer jaren.

Toch zijn buurmezen volgens de bioloog niet ‘zomaar’ aardig voor elkaar. Alleen omdat ze elkaar kennen. Ze zijn aardig omdat ze denken: ‘straks is mijn nest aan de beurt. Hopelijk helpen de buren mij dan ook.’

Misschien hebben ze het zelfs wel eens meegemaakt: ‘Als ik de buren nu niet help, laten die mij straks in de steek.’

Door elkaar te helpen, help je dus jezelf – in elk geval als je een koolmees bent.