Knappe kap

Nu de linnen kap van de nieuwe Porsche 911 Cabrio dezelfde contouren heeft als die van de coupé, pleit weinig meer tegen de open versie. Behalve de prijs.

Verkoopadviseur Ivo Amelunxen van Porsche Centrum Amsterdam in de Porsche 911 Cabrio Lars van den Brink

Zo ongeveer op de dag dat de cabrioletversie van de nieuwe Porsche 911 zijn debuut maakte op de Nederlandse markt, overleed Ferdinand Alexander Porsche. De kleinzoon van grondlegger Ferdinand Porsche – zijn vader heette ook al Ferdinand (bijnaam Ferry), en om verwarring te voorkomen werd de kleinzoon wel Butzi genoemd – geldt als de ontwerper van Porsches beroemdste model, de 911. Die debuteerde in 1963 en sindsdien hebben slechts drie ontwerpers aan de contouren van dat model mogen werken, waarbij telkens één aspect onaangetast bleef: de daklijn. Die is, bijna vijftig jaar na dato, nog altijd dezelfde. Elke 911 is, zelfs in het donker in een lantaarnpaalloze straat, vrijwel moeiteloos te herkennen.

Dat Butzi Porsche zijn laatste adem uitblies bij de presentatie van de nieuwe 911 Cabrio is zo treffend, omdat de nieuwe ‘oben ohne’-Porsche een tamelijk bijzondere kapconstructie heeft. Waar vorige 911-cabrio’s er in gesloten toestand toch altijd een beetje uitzagen als een auto met een tentje erop, heeft de nieuwe versie een kap die hem dezelfde contouren bezorgt als de coupé. Als je een nieuwe cabrio in zwart bestelt met een zwarte linnen kap, zou je zweren dat er een gewone coupé staat. Dat is een razend knappe prestatie van ontwerper Michael Mauer, want vrijwel alle cabriolets zijn met de kap erop niet op hun fraaist.

Maar er is meer knap aan de kap. Hij is grotendeels vervaardigd uit magnesium, bestaat uit vier delen, vouwt zichzelf in dertien seconden op (of klapt in dezelfde tijd weer uit) en tot een gangetje van 50 kilometer per uur kan dat zelfs rijdend worden uitgevoerd. Enig nadeel is dat er bij regen water op de achterruit blijft staan, wat het zicht naar achteren niet ten goede komt. Waar cabrio’s meestal een minder stijve carrosserie hebben (vaak een gevolg van het ontbreken van een stalen dak, dat het koetswerk gewoon beter bij elkaar houdt), heeft de nieuwe 911 van dat alles geen last. Hij voelt net zo torsiestijf aan als de coupé, en trillingen, rammeltjes, resonanties of ander ongemak komen simpelweg niet voor.

Open rijden kan overigens sneller dan iedereen denkt; je zit vrij diep en laag in de auto, waardoor de wind weinig vat krijgt op het interieur. Een zogenaamde diffuser – een automatisch opklappend windscherm – leidt de rijwind bovendien over de inzittenden heen. Zelfs lichte regen is daardoor geen spelbreker meer, maar dan moet de vaart er wel in worden gehouden. Technisch zijn er geen verschillen met de coupé. Motor en de zeventraps automatische transmissie – handbediening is mogelijk, maar wordt ontmoedigd door zeer matig te bedienen druktoetsen op het stuur – werken eendrachtig samen, en de auto laat zich opvallend gemakkelijker besturen dan welke 911 ooit. Dat zal de echte 911-adepten trouwens minder aanspreken, want vroegere versies maakten het hun bestuurder af en toe een beetje moeilijk. Een deel van de lol van het rijden in een 911 was immers dat hij je af en toe in negatieve zin kon verrassen.

Hees gebrul

De geluidsbeleving is in de cabrio exact gelijk aan die van de coupé, althans met gesloten kap. Dat zegt wel iets over de isolatie. De zescilinder boxermotor áchter de achteras maakt de bekende hese brulgeluiden, en uiteraard komen die geluiden wat beter door indien er open wordt gereden. In tunnels is de sensatie nog wat heftiger. Kortom, zelfs cabriohaters (en die zijn er) zullen moeten toegeven dat, op de meerprijs van vijftien mille na, er weinig argumenten meer over zijn om bij de aanschaf van een nieuwe 911 niet voor de cabrioversie te kiezen.

Het enige verschil met de coupé is goed beschouwd de net iets lagere topsnelheid. Waar de versie met het stalen dak 302 km/h haalt, laat de cabrio in alle bescheidenheid 299 noteren. Niet erg, want, zoals de Nederlandse topontwerper (en Porsche-liefhebber) Marcel Wolterinck zich onlangs liet ontvallen: „In een cabrio rijd je nooit te hard.” Nou ja, hooguit een beetje te hard dan.