Ik ben verdomme geen clown! Ik geef natúúrkunde

Walter Lewin werd geboren in Nederland. Na zijn studie natuurkunde in Delft vertrok hij naar Amerika. Daar werkt hij al meer dan veertig jaar aan het Massachusetts Institute of Technology dat zijn colleges op internet zette. „Ik heb een pesthekel aan ‘professor’. Ik ben een webstar.”

Zijn internetcolleges over natuurkunde worden elke dag bekeken door zo’n vijfduizend mensen over de hele wereld. Het is ook niet niks wat natuurkundige Walter Lewin zijn kijkers voorschotelt. De Wet van Behoud van Energie demonstreert hij door een sloopkogel van vijftien kilo vanaf zijn kin weg te slingeren, waarna het gevaarte met een verwoestende vaart naar hem terugkeert om exact op dezelfde millimeter van z’n kin te stoppen. Met de rook van een sigaret laat hij zien waarom de lucht blauw is en de wolken wit zijn.

Walter Lewin (76) was dertig toen hij naar Amerika emigreerde. Hij was kernfysicus, maar stapte over naar röntgenastronomie. Sinds 1966 is hij verbonden aan het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology. Dat MIT zette Lewins colleges acht jaar geleden op internet. Een gouden greep. Miljoenen mensen hebben de natuurkundige sindsdien aan het werk gezien. Het succes op internet is Lewin zelf allerminst ontgaan. „Ik ben een webstar”, verklaart hij herhaaldelijk. En of ik hem vooral met Walter wil aanspreken. Aan ‘professor’ heeft hij „een pesthekel”.

Hij is geen doorsneeverteller. Lewin – bontgekleurd overhemd, felgekleurde plastic ringen om z’n vingers – praat gedreven, soms gejaagd, in een Nederlands dat ondanks zijn langdurige verblijf in Amerika maar nauwelijks geërodeerd lijkt, al glipt er geregeld een Engelse uitdrukking tussendoor. Bij een dreigende interruptie heft hij waarschuwend zijn rechterhand: „ Wacht, ik ben nog niet klaar. ” Maar het meest opvallend zijn de onvoorspelbare uithalen in volume, gelardeerd met een daverende klap op tafel. Hij doet het wanneer ik hem in het openbaar interview bij de presentatie van zijn boek Gek op natuurkunde in Amsterdam, maar ook tijdens ons gesprek in de doodstille bibliotheek van het hotel waar hij tijdens zijn drie dagen in Nederland verblijft. Op die momenten van extatisch enthousiasme of schreeuwende woede – al dan niet gespeeld – staat het schuim soms letterlijk op zijn lippen. „Of mijn colleges iets weg hebben van een circusnummer? Jezus Christus. Ben jij nou helemáál belazerd. Daar beledig je me diép mee.”

Wat is er zo mooi aan natuurkunde?

„Dat alles, álles natuurkunde is. Het feit dat jij kunt praten, denken, zien. Dat al die voorwerpen om ons heen bestáán, dat er licht is. Alles is natuurkunde. Ik doceer natuurkunde door studenten te confronteren met hun eigen ervaringen. I make them smell their own diapers.Ik laat ze hun eigen luiers ruiken, hun eigen wereld verkennen; waarom is de lucht blauw, waarom zijn de wolken wit? Waarom ontstaat een regenboog? Wat is die vreemde atmosfeer die over de aarde hangt? Als je bedenkt dat op iedere vierkante centimeter van je hand een kracht wordt uitgeoefend van een kilogram – en een hand is honderd vierkante centimeter – hoe is het dan in godsnaam mogelijk dat je die hand kunt bewegen? Ondanks de honderd kilo die erop drukt?

„Ik probeer de wereld voor hun open te breken. Er staan 104 colleges van mij op internet. Als je naar zo’n college hebt gekeken, is je bestaan blijvend veranderd.”

Ik heb een flink aantal van uw colleges bekeken. Met plezier. Maar ik heb niet het gevoel dat mijn leven veranderd is.

Met openvallende mond van verbazing: „Impóssible! Heb je mijn voordracht gezien over regenbogen? Dan is er geen twijfel over mogelijk dat jouw leven niet meer hetzelfde is. Of zit je mij te bedonderen?”

Nee. Ik vond het boeiend. Maar ik ben geen ander mens geworden.

„Oh nee? Luister! Voordat je mijn voordracht gezien had, heb je alleen maar gekéken naar een regenboog. Maar je had er nog nooit één gezíén. Ik ben die eerste die hem echt aan jou laat zien. Dat er een primaire en een secundaire boog is, was jou heus niet eerder opgevallen. En dat de kleuren van de bogen elkaars spiegelbeeld zijn had je al evenmin ontdekt. Iedere keer dat jij vanaf nu een regenboog ziet, zal je denken: ‘Oh ja, dat heeft Walter mij verteld’. ”

U duidt de wereld zoals een kunsthistoricus een schilderij?

Met een keiharde klap op tafel: „Preciés! Dat is precies wat ik wil. Jongen, die vergelijking is perféct. De meeste mensen kijken naar kunst maar hebben het nooit gezien. Dus daarom accepteer ik niét van jou dat jij zegt: ‘Ik heb jouw lectures gezien en mijn leven is niet veranderd.’ On-mo-ge-lijk! Ik krijg dagelijks mails van mensen die schrijven: ‘Dankzij u is mijn leven nooit meer hetzelfde’.

„Dat komt door mijn aanpak. Die is ongekend. Ik vertel mijn studenten in mijn colleges Electricity and magnetism over de vier vergelijkingen van Maxwell. Uiteindelijk laat ik die alle vier op de wanden projecteren, waardoor opeens die hele zaak bij elkaar komt. Een complete field theory. Dan zeg ik: ‘Vanaf nu zijn jullie je maagdelijkheid kwijt’. Dat is zo’n belangrijk moment in het leven van een wetenschapper, dat ik dat vier door ze allemaal een narcis uit te reiken. Veertig jaar later zullen ze zich dat moment nog herinneren.”

Ze zullen zich vooral herinneren dat ze een bloem kregen.

„De vergelijkingen zijn dan weggezakt. Maar die kunnen ze opzoeken. Het gaat om de ervaring.”

Hebt u tijdens die demonstratie van de Wet van Behoud van Energie bij het naderen van die aanstormende sloopkogel nooit een seconde gedacht: er zal toch niet ergens een foutje in zitten?

„Wat denk je nou? Natúúrlijk niet. Er zijn nooit ongelukken gebeurd. Ja, ik ben één keer gevallen toen ik naast het podium stapte.”

Waarom doen uw collega’s het niet net zoals u?

„Omdat het meestal droogkloten zijn. Die missen die energie, die liefde voor het vak.”

Kwam u wel in het goede vak terecht?

„Ik ben ervoor geboren. Ik ben ervoor gemáákt. Het MIT werkt nu aan een methode waarmee mensen via de computer examen kunnen doen over mijn colleges, zodat ze een certificaat kunnen halen. Nu ben ik weer bezig met colleges voor Japan, waar de Japanners me fors voor betalen. Ze hebben me gevraagd om acht colleges te ontwikkelen die ze daar uitzenden.”

U schrijft in uw boek over ‘de architectuur’ van uw colleges. Alsof u huizen bouwt.

„Ieder college dat ik geef is een work of art. Ik bereid het voor zoals een architect aan een huis werkt. Een comfortabel huis, met een goede fundering, met kamers waar je je lekker in voelt. En met een wc die niet op de derde verdieping zit. Ik ben er al een half jaar van tevoren mee bezig. Het is heel belangrijk dat je studenten erbij betrekt.

„In m’n allereerste college vraag ik: is het mogelijk dat iemand liggend in bed langer is dan wanneer hij staat? Dan zie ik ze denken: ‘Dat is belachelijk’. Maar dan meet ik een proefpersoon en blijkt er een belangrijk verschil te zijn (omdat de zwaartekracht de proefpersoon enigszins in elkaar drukt, CV). Drie weken voor het college doe ik een dry run in een lege zaal, inclusief experimenten. Dan blijkt opeens dat het huis nare kanten heeft; een van de kamers blijkt te koud. Dan gooi je de structuur om. Een week van tevoren doe ik de verbeterde versie, en kijk ik wat er nog veranderd moet. En op de dag van het college doe ik om vijf uur ’s morgens een generale repetitie, voor een lege zaal.”

Dat kan alleen als je maar acht colleges per jaar geeft.

„Ho ho, ik geef er vijfendertig. Ik word een semester vrijgesteld voor de voorbereidingen. Ik blijf er eindeloos aan sleutelen.”

Bijna als een acrobaat die zorgvuldig aan zijn circusnummer slijpt.

Verbijsterd: „Wat zeg je nou? WAT? Dit is echt een volkomen belachelijke parallel.” Lewin hapt naar adem, slaat woest op tafel. „Ik ben verdomme geen clown! Hóór je me? Ik ga daar niet met een feestneus en papieren toeters op rondlopen. Ik geef natúúrkunde! Begrepen?”

Hoe noemt u het dan?

„Het is een performance. ‘Show’ klinkt mij teveel als ‘amusement’. Ik zeg je dit: een maand geleden is er een boek verschenen met de driehonderd beste teachers van de VS. Daar zit ik bij, als enige van MIT. Dat betekent dat ik uniek ben. Er zijn miljoenen mensen die mijn werk kennen. Ik ben een webstar.”

U schetst in uw boek de grote thema’s en onderwerpen uit de natuurkunde. Wie is in uw ogen het grootste genie?

„Dat is een smaakkwestie. Ik denk zelf dat Newton het grootste genie is geweest. Hij heeft met zijn wetten de natuurkunde fundamenteel veranderd. In die zin is hij van nog groter belang geweest dan Einstein.”

Bent u zelf een genie?

„Nee.”

Als Newton 10 is op een schaal van 10, waar staat u dan?

„Op min twintig. Aan Newton kan niemand tippen.”

Dus in feite bent u een kleine jongen?

„Ik ben heel goed in mijn vak. Bij MIT heb ik een aanstelling voor het leven gekregen. Daarvoor moet je tot de vier, vijf besten van je generatie behoren. Dat heb ik grotendeels te danken aan mijn ballonnenwerk. (in de jaren zestig experimenteerde Lewin met reusachtige ballonnen die buiten de dampkring röntgenstraling konden meten. Dat leidde tot nieuwe wetenschappelijke inzichten, CV). Ik heb in mijn loopbaan een paar keer enorm geluk gehad. Ik had vier aanbiedingen toen ik naar Amerika ging, maar ik koos voor MIT, waar drie jaar eerder röntgenastronomie was ontdekt. Dat is cruciaal geweest. Anders was ik nooit een beroemd fysicus geworden.”

En als u in Nederland was gebleven?

„Uitgesloten dat ik dan net zo beroemd was geweest. Als het gras hier te hoog wordt, knippen jullie het af. En gras dat slecht groeit, wordt juist bemest.”

Is er een duidelijk verschil in wetenschappelijk niveau tussen de VS en Nederland?

„Er zijn in Nederland groepen op bepaalde universiteiten, bijvoorbeeld in Amsterdam, die werk hebben geleverd van het allerhoogste niveau. Maar dat zijn de uitschieters. Alles wat bij MIT gebeurt, – of het nou natuurkunde, economie of scheikunde is – is van Nobelprijs-niveau.

Dat komt doordat MIT een ‘center of excellence’ is. Dat bestaat niet in Nederland. Men vindt dat een vies woord. Alles moet hier hetzelfde niveau hebben. Dat is jullie probleem. Dus MIT vergelijken met de TU is appels met peren vergelijken. Jullie hebben geen centers of excellence, en dus niet genoeg mensen die aan die top zitten.”

Is het ook een financiële kwestie?

„Mede. Wij werken met funding. Dat betekent dat je geld vraagt en krijgt van instellingen. Dat is de reden waarom Amerika zoveel Nobelprijswinnaars heeft. Wij moeten proposals schrijven om aan ons geld te komen. En als je aan de wereldtop staat is je succes rate voor funding per definitie hoog. Jouw proposals zijn bijna altijd beter.”

Zonder funding lukt het niet?

„Nee. Bij MIT krijg ik negen maanden salaris per jaar. Al mijn reizen, telefoonkosten en de salarissen van mijn postdocs moet ik zelf betalen. Het mooie is dat wij als hoogleraren wel heel veel geld via funding inbrengen. MIT heeft vijfenzestig procent overheadkosten. Dus als ik jaarlijks een miljoen dollar aan funding krijg, gaat daarvan 650.000 naar MIT.”

Wie betaalde voor u die funding meestal?

„Dat is vaak gebeurd door NASA. Bij MIT werken allemaal wereldleiders in hun vak. Je kent je eigen kracht. Dus als je weet dat NASA volgend jaar een satelliet gaat lanceren en onderzoek wil doen dat jouw specialiteit is, dan krijg jij dat bijna altijd toegewezen.”

Stuurt die geldgever je onderzoek niet sterk?

„Dat gebeurt, maar dat is geen nadeel. Als ze een nieuwe satelliet lanceren voor onderzoek dat niet helemaal jouw terrein is, dan kun je zeggen: ‘Misschien moeten we toch wat meer de infraroodkant op’. In die zin heeft NASA een belangrijke invloed op hoe je je ontwikkelt.”

Dat staat nooit haaks op uw wetenschappelijke bedoelingen?

„Nee, want je zorgt dat je het in je proposal toch weer in je eigen richting bijstuurt.’

Vindt u dat Nederland z’n universiteiten moet samensmelten tot één topuniversiteit, één center of excellence?

„Die vraag is niet eerlijk. Jullie politieke systeem wil dat nou eenmaal niet. Iedereen moet bij jullie gelijk zijn en gelijke kansen krijgen. Dan zet je in op middelmaat. In Amerika heb je veel heel slechte universiteiten. Maar er zijn ook een paar onwaarschijnlijk goede. ”

U legt in uw boek ook een duidelijk verband tussen wetenschap en kunst.

„Die twee hebben alles met elkaar te maken. Ik ben gek op kunst. Ik verzamel schilderijen en beelden – van Struycken, van Appel – maar ook servies. Fiesta-ware. Prachtig spul; borden, kopjes in allerlei maten.”

U hebt één servies dat zelfs radioactief is.

„Dat is oranje servies dat in de jaren dertig gemaakt is. Als je er met een Geigerteller langsgaat zie je dat ding flink uitslaan.”

Is het gevaarlijk om van die borden te eten?

„Ik ben opgeleid als kernfysicus, dus ik kan dat goed uitrekenen. De borden zijn er in verschillende maten. Als je de allergrootste 15 inch-variant een maand tegen je borst zou houden, dan heb je een probleem. Maar als je er een half uurtje van eet niet.”

En geeft je biefstuk dan licht?

„Ben je belazerd! Waar zit jouw verstand?”

U maakt zich geen zorgen over uw gezondheid?

„Dat is iets anders. Ik heb twee jaar geleden in het ziekenhuis gelegen toen ik geopereerd moest worden aan hartruis. Dat liep bijna verkeerd af.”

Het valt me op dat u nogal met uw hoofd schudt. Heeft dat met Parkinson te maken?

„Dat is een tremor die ik al zeker vijfentwintig jaar heb. Ik kan het bij mijn colleges ook terugzien. Niet als ik in actie ben. Maar zodra ik een boek pak en iets lees, zie je het. Het heeft ook met spanning te maken. Toen ik laatst bij De Wereld Draait Door zat, had ik er meer last van dan wanneer ik gewoon rustig zit. Er zijn zelfs dagen dat het vrijwel weg is.”

Wat laat natuurkundige Walter Lewin de wereld na?

„Die lectures op internet zijn mijn legacy. Over vijftig jaar zullen die colleges nog bekeken worden, daarvan ben ik absoluut overtuigd. Die worden echt nooit meer verbeterd.”

Walter Lewin, Gek op natuurkunde. € 19,90