Graven in een zee van gras

Archeologie

De Orchonvallei in Mongolië is de bakermat van grote rijken. Archeologen kammen de steppen uit met onder meer vliegende robots.

In Mongolië is Djenghis Khan een iconische figuur. “Hij staat op bankbiljetten, er is Djenghis-bier en Djenghis-wodka,” zegt Jan Bemmann, hoogleraar pre- en protohistorische archeologie aan de Universiteit Bonn. “Verder heeft Mongolië, toen het land in 1992 onder het juk van de Sovjet-Unie vandaan kwam, serieus overwogen de hoofdstad van Ulan-Bator te verplaatsen naar Karakorum, de oude door Djenghis Khan gestichte hoofdstad.”

De geschiedenis van Mongolië is echter meer dan alleen Djenghis Khan en zijn Mongoolse stepperuiters, die in 1206 het grootste wereldrijk uit de geschiedenis stichten. Dat tonen de ruim driehonderd archeologische vindplaatsen die Bemmann heeft gedocumenteerd in de bijna 122.000 hectare grote Orchonvallei in Centraal-Mongolië. De vindplaatsen in de vallei, die sinds 2004 op de Werelderfgoedlijst staat, beslaan een geschiedenis die loopt van de oude steentijd tot de negentiende eeuw.

Het onderzoeksinstituut van Bemmann en het Deutsches Archäologisches Institut (DAI) zijn twaalf jaar geleden met hun werkzaamheden begonnen in Karakorum. Dit gebeurde op verzoek van de autoriteiten in Mongolië, die in 2006 de viering van de stichting van het Mongoolse rijk acht eeuwen daarvoor luister wilden bijzetten. De samenwerking beviel zo goed dat Bemmann en zijn collega’s na Karakorum besloten om de hele Orchonvallei te onderzoeken. “De Mongolen zijn zeer behulpzaam en anders dan bijvoorbeeld in Rusland of China hebben we geen last van bureaucratie.”

Om in de uitgestrekte ‘zee van gras’ nieuwe archeologische vindplaatsen te ontdekken en in kaart te brengen gebruikte Bemmann moderne onderzoekstechnieken en technische hulpmiddelen. Bijvoorbeeld een vliegende robot met camera, fotogrammetrie (het bepalen van de vorm en locatie van objecten met behulp van foto’s) en geomagnetische meetapparatuur, die achter een auto snel opnamen van de ondergrond van een groot terrein maakte.

Volgens de overlevering heeft Djenghis Khan in 1220 de hoofdstad op de oostoever van de Orchonrivier gesticht. Bemmann: “Een gezegde uit de Mongoolse tijd stelt dat het wel mogelijk is om vanaf de rug van een paard een rijk te veroveren, maar niet te besturen. Karakorum had maar een oppervlakte van twee vierkante kilometer. Daarvan is nu amper 2.000 vierkante meter opgegraven.”

Verhoogde straten

Een Russisch-Mongoolse expeditie dacht in 1949 in het zuidwesten van de stad het paleis van de Khans gevonden te hebben. “Ten onrechte,” zegt Bemmann. “Het bleek een dertiende-, veertiende-eeuwse boeddhistische tempel te zijn – Karakorum stond bekend als een multicultureel centrum en had ook een christelijke kerk en twee moskeeën.” Volgens de Duitsers lag de paleisstad twee kilometer ten oosten van de stad. “Onder Eerdene Zuu, een in 1586 gebouwd klooster, hebben we acht meter hoge muren uit de dertiende eeuw gevonden.”

In het centrum van Karakorum ontdekte Bemmann met hulp van Mongoolse collega’s delen van de noord-zuid lopende hoofdstraat. “Net als de Romeinen legden de Mongolen verhoogde straten aan. Op een bed van kiezelstenen legden ze een houten framewerk met daarin kalksteenplaten van ongeveer 3 bij 2 meter.”

In de loop der tijden hebben zes belangrijke culturen in de vallei hun sporen achtergelaten (zie kader Grote rijken in de steppen van Mongolië). De Xiognu waren een ruitervolk dat al een ver schietende boog maakte door hout, bot en hoorn aan elkaar te lijmen en dat aardewerk op de draaischijf maakte. Zij stichtten in 209 voor Christus het eerste steppenrijk in Centraal-Azië. In de Orchonvallei heeft Bemmann van hen geen sporen van nederzettingen of pronkgraven gevonden. “Men dacht altijd dat het Midden-Orchondal een machtscentrum van de Xiongnu was geweest. Dat klopt dus niet.”

Drie eeuwen na het verdwijnen van de Xiongnu doken in de zesde eeuw na Christus de Göktürken op. Deze nomadische stammen, die lange tijd vooral elkaar bestreden, verenigden zich in 552 onder stamleider Bumin en stichtten een rijk dat van de Zwarte Zee tot aan Mantsjoerije reikte. In de Orchonvallei zijn in de negentiende eeuw twee stèles uit de achtste eeuw voor latere Göktürkse heersers gevonden. Beide zuilen zijn voorzien van een tekst in een soort Turkse runentekens.

“De Turkse president Erdogan heeft Mongolië en de Orchonvallei bezocht, omdat de Turken zich als afstammelingen van de Göktürken beschouwen. Ze stammen echter net zo weinig van hen af als de Duitsers van de Germanen,” weet Bemmann.

De resten van hun hoofdstad liggen waarschijnlijk onder die van Karabalgasun, de hoofdstad van de Oeigoeren, die de Göktürken in 754 verdreven. In de Orchonvallei heeft Bemmann verder mogelijk sporen van nederzettingen gevonden. “Nader onderzoek is nodig om zekerheid te krijgen.”

Karabalgasun, op de westoever van de Orchon, had een oppervlakte van dertig vierkante kilometer. De vraag is hoe de van oorsprong veehoudende nomaden hier tienduizenden bewoners hebben gevoed. “In heel Mongolië is nog maar weinig pollenonderzoek gedaan dat iets over akkerbouw kan zeggen. Daarom ben ik vorig jaar over de stad gevlogen om luchtfoto’s te maken. Op de foto’s zijn aanwijzingen dat er in de buurt akkers zijn geweest. We hebben in ieder geval kunnen vaststellen dat de stad gepland was. Rond de kern met een rechthoekig stratenpatroon lag een soort voorstad.”

Chinees schrift

De Oeigoeren hebben de meeste sporen achtergelaten in de Orchonvallei. “Door de bouw van de stad en poorten in de vallei en de aanleg van graven in de zijdalen met uitzicht op het centrale dal lieten ze duidelijk zien dat de vallei hun machtscentrum was.”

De Kitan, die een Chinees schrift gebruikten, hebben op hun beurt minder hun stempel op de vallei gedrukt. “In het bovenste deel van de vallei hadden ze getuige een Chinese inscriptie wel een steengroeve, wat op bouwactiviteiten wijst.” Van de bouw van een stad was volgens Bemmann echter geen sprake. “Hun machtscentrum lag in het zuidoosten van Mantsjoerije. Ons onderzoek laat zien dat alleen de volkeren die van de Orchonvallei hun machtscentrum maakten, dus de Göktürken, de Oeigoeren en de Mongolen, er ook een stad bouwden.”

Bemmann richt zich ook op de tijd na de Mongolen. Zo ontdekte hij vijftien kilometer ten noordoosten van Karakorum een volgens Chinese bouwprincipes gebouwd stadspaleis uit de zeventiende eeuw of later. “De Mongolen zelf interesseren zich niet voor deze tijd, omdat ze de Mantsjoe als overheersers zien.” Bij zijn nieuwe vondst zal dan ook niet snel een bordje met uitleg komen te staan. “Ach, Mongolië is een jonge natie. De interesse voor onderzoek van de Mantsjoetijd moet nog groeien. Frankrijk heeft van de Duitse U- bootbasis in Saint-Nazaire ook geen monument gemaakt.”