De middenklasse gekerkerde In China zitten ze niet te wachten op verplegers

Bij de Europese middenklasse is het geloof in vooruitgang verdrongen door angst. Met grote politieke gevolgen, stelt Hubert Smeets.

Illustratie Sebe Emmelot

Decennialang vormde de middenklasse het hart van de postindustriële verzorgingsstaat. Die tijd is voorbij. In grote delen van Europa wenden de middenklassen zich af van de grote volkspartijen die deze maatschappij hebben gebouwd. De consensus vergruist zo waar je bij staat, zonder dat er een alternatief voor in de plaats komt.

Dat vacuüm is in de eurozone afgelopen jaar min of meer aan het licht gekomen bij tien verkiezingen – in Ierland, Finland, Portugal, Cyprus, Spanje, Slovenië, Slowakije, Frankrijk, Griekenland en misschien ook morgen, in Noordrijn-Westfalen in Duitsland.

Behalve in Ierland, Portugal, Cyprus en Slowakije, waar in 2011 nogal klassieke wisselingen van de wacht plaatsvonden, is er één rode draad in de uitslagen van deze verkiezingen. De grote pro-Europese volkspartijen hebben allemaal 10 procentpunt of meer verloren, ten faveure van anti-Europese, xenofobe dan wel radicale formaties ter linker- of rechterzijde.

In Finland bonden de Ware Finnen een op de vijf burgers aan zich, ten koste van de drie grote partijen, die werden teruggedreven tot bijna 45 procent. In Spanje liepen de conservatieve PP en de socialistische PSOE terug van 85 naar driekwart van het electoraat. In Slovenië dook de burgemeester van Ljubljana in één keer op met een kleine 30 procent. In Noordrijn-Westfalen lijken de CDU en SPD morgen samen ongeveer 70 procent van de stemmen te houden, maar de kans is groot dat de Piratenpartij de kiesdrempel van 5 procent haalt en zo voor verwarring zal zorgen. In Frankrijk koos vorige maand eenderde van electoraat in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen voor kandidaten op de flanken. In Griekenland voltrok zich deze week een implosie. De anti’s – Radicaal Links, Communisten, Onafhankelijke Grieken, Gouden Dageraad en kleinere ultrapatriotten – haalden zondag samen 45 procent.

Het is de middenklasse die dit politieke drijfzand creëert. Dat is verklaarbaar. Vanaf de jaren zestig was ze het staal en cement van de samenleving. De middenklasse dijde gestaag uit, mede doordat de industriearbeider aftaaide in de dienstenmaatschappij, ook in Nederland. De paarse coalitie van PvdA, VVD en D66 was de climax van deze opmars. In sociologische zin zou ook GroenLinks daar in 1998 deel van hebben kunnen uitmaken. Deze vier seculiere partijen verenigden met 108 zetels toen ruim tweederde van het kiezersvolk.

Daarna nam de machtspositie van de middenklasse af. In cijfers laat zich dat nog niet scherp uitdrukken, maar de trend in de Verenigde Staten kan een voorbode zijn. In Amerika, waar het begrip middle class overigens een ruimere betekenis heeft dan in Europa, neemt de welvaart van de middenklasse sinds Reagan niet meer toe en sinds Bush jr. zelfs af, terwijl de rijkste 1 procent van de burgers juist eenderde rijker is geworden. De Gini-index, die inkomensverschillen uitdrukt van 0 (gelijkheid) tot 100 (ongelijkheid), is er sinds 1980 gegroeid van 40 tot 47.

In Europa is het zover nog niet. Nederland hangt rond de 30 in de Gini-Index. Bij de Mediterrane landen is de verarming van de middenklasse al begonnen. In het Noordwesten dient zich de neergang aan. In 2007 leefden 85 miljoen Europeanen op de rand van armoede en sociale uitsluiting. In 2009 waren dat er 115 miljoen. Dit is een groei van 17 naar 23 procent, becijferde de Spaanse krant El País eerder dit jaar. Deze trend gaat niet aan Nederland voorbij. In februari meldde brancheorganisatie NVVK (schuldhulpverlening) dat steeds meer huisbezitters in het ongerede raken – middengroepen als ‘nieuwe minima’.

„In plaats van een verburgerlijking van de hele maatschappij, iets wat de meeste waarnemers, denkers en analisten na de Tweede Wereldoorlog hadden verwacht, is het tegenovergestelde gebeurd”, zei de Britse filosoof John Gray onlangs in weekblad De Groene Amsterdammer. „Grote delen van de middenklasse leiden een net zo onzeker bestaan als de arbeidersklasse”, aldus Gray. Hiermee staat ook de naoorlogse rol van de middenklasse als „katalysator voor groei” en bron van „vooruitgangsethiek” onder druk, analyseerde Marcel ten Hooven in hetzelfde weekblad.

De middengroepen hebben inmiddels door dat de globalisering – op mondiaal of Europees niveau – meer gevaren herbergt dan ‘uitdagingen’, laat staan ‘kansen’. Ze zijn niet onder de indruk van het argument dat ze, dankzij lage hypotheekrentes, ook vermogend zijn geworden. Net als uitkeringstrekkers die de anderen zonder al te veel omhaal profiteurs noemen en net als de grootverdieners die een verhoging van de btw toejuichen, maar een paar procent meer inkomstenbelasting zien als ondankbaarheid jegens hun goede werken.

De bedreigde middengroepen gaan daarom op zoek naar een paradox: naar een anti-modern conservatisme, naar politici die de nostalgische belofte doen dat het verleden de toekomst is. Hiermee halen ze het politieke landschap overhoop, zoals de verkiezingen van afgelopen jaar hebben geïllustreerd.

Dit heeft uiteraard te maken met het ‘algemeen menselijke patroon’ om verworvenheden te willen behouden. Burgers die bestaande belangen moeten verdedigen, zijn niet te porren voor sprongen in het duister. Die kiezen liever voor een nostalgische dan een revolutionaire orde.

Maar er is meer. De middenklasse heeft weinig andere opties. Ze is de gevangene van de globalisering. Het vrije verkeer van arbeid en kapitaal raakt haar in het hart. De onderkant kan geografisch alle kanten op. Voor het vegen van de straat of het poetsen van de wc heb je geen diploma nodig. De bovenlaag kent evenmin barrières. Topmanagers dreigen met verhuizen als de bonussen of belastingentarieven ter discussie staan.

De middenklasse leeft daarentegen in angst: om door de vloer te zakken of door nieuwkomers beneden te worden verdrongen. De middenklasse zit ook territoriaal gevangen, opgesloten in haar eigen natiestaat waarvan ze het fundament is. Niet alleen door het eigen huis, dat aan de straatstenen niet te slijten is, ook door de arbeid waarvoor de middenklasse heeft doorgeleerd. Haar kwalificaties en verdiensten in de ‘witteboordenwereld’ spelen in de mondiale economie geen rol, zeker als je ouder bent en niet mee blijft doen in de ratrace van bijscholing die de hedendaagse diplomademocratie eist.

In China zitten ze niet te wachten op verplegers en onderwijzers. In Polen hoeven ze geen timmerlieden, in Rusland geen politieagenten.

Met andere woorden: de middengroepen zijn bij uitstek gekwalificeerd om te werken binnen de natiestaat of een taalgemeenschap en dus niet geschikt om uit te vliegen.

Deze gekerkerde middenklasse denkt geen kant meer op te kunnen. Aan dat gevoel geeft ze lucht tijdens verkiezingen. Zo wordt de middenklasse van bouwer tot wreker van de democratische verzorgingsstaat.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad.