De hele wereld heb ik gezien

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Een jaar of drie geleden zei mijn oudste dochter: schrijf je verhalen eens op, je kunt een boek schrijven. Ik tikte wat op – zo groeide het.”

„Als ketelbink kwam ik aan boord: hulpje van de matrozen – hutten schoonhouden, tafel dekken, afwassen, dat soort dingen. Zestien jaar was ik, in 1963.

„Als kind wilde ik al naar zee. Urenlang stond ik langs de Schelde naar de schepen te turen. In de atlas zocht ik op waar die schepen vandaan kwamen. Dan fantaseerde ik over zwerven over de wereld.

„Mijn vader en moeder wilden er eerst niet van horen dat ik naar zee ging. Mijn oudste broer was in 1953 naar Canada geëmigreerd. Een zus was in 1957 vertrokken naar Australië. Vooral mijn moeder wilde dat ik dicht bij huis zou blijven. Maar ik bleef zeuren. Een oom heeft toen m’n vader omgepraat. Die oom had in 1942 een broer verloren, onder Karel Doorman, bij de Slag in de Javazee. Daardoor had hijzelf nooit mogen varen. Had hij vreselijk gevonden.

„In bijna vijftig jaar heb ik de hele wereld gezien. Noem maar op: Noord- en Zuid-Amerika, de Europese kusten, de noordelijke havens van Rusland, Midden-Oosten, China, Japan, de Pacific – ik ben er geweest. En niet alleen als zeeman. Met mijn vrouw heb ik lange reizen gemaakt. Dwars door Afrika, van Nairobi naar Kaapstad, in gammele bussen en treinen met alleen een rugzak als bagage. Per camper hebben we rondgezworven in Nieuw-Zeeland en de VS.

„Ik hou niet van groepsreizen, ik wil geen toerist zijn. Ik wil met gewone mensen praten, naar het dagelijks leven kijken – dat trekt me. In Zambia zijn we in dorpen geweest waar alleen nog kinderen en nonnen woonden; alle volwassenen waren er aan aids gestorven. Dat maakt indruk. We hebben ook heel wat vrolijke dingen meegemaakt. In Tanzania kwamen we in een dorp een postkantoortje tegen, ik zei tegen m’n vrouw: ik ga ’s even proberen de kinderen te bellen. (Mobiele telefoons deden het daar nog niet.) De man achter het loket had zo’n ouderwetse, zwarte telefoon. Hij draaide het nummer dat ik ’m gaf, en nog ’s, en nog ’s. Ik stond erbij te kijken en opeens zag ik dat het snoer van die telefoon was losgeknipt en erbij bungelde. Van binnen gierde ik het uit van de pret, maar ik bleef het spel meespelen: nog maar ’s proberen, en nog ’s. Ach ja, je laat zo’n man toch in z’n waarde.

„Overweldigende natuur heb ik gezien. Het mooist vind ik die van Nieuw-Zeeland, vooral van South Island. In Groenland heb ik vracht naar eskimodorpen gebracht. In de zomer zie je daar gletsjers in zee storten. Een gigantisch spektakel. Soms moesten we urenlang stilliggen voor de buffeltrek; dan zag je tienduizenden runderen zwemmend de rivier oversteken – ongelofelijk gezicht!

„Als je wat meemaakt, heb je veel te vertellen. Ik ben een prater. Biertje erbij, gezellig. Een jaar of drie geleden zei mijn oudste dochter: schrijf die verhalen eens op, je kunt een boek schrijven. Eerst dacht ik: een boek, ik? Maar goed: ik tikte wat op een laptop, en nog ’s wat – en zo groeide ’t.

„Toen we eind september terugkwamen van onze trektocht door de VS had iemand mijn tekst nagekeken. Het boek kon naar de drukker. Zelf was ik er slecht aan toe op dat moment. Moe. Ademnood. Na een paar weken was de oorzaak duidelijk: longvlieskanker. Ik wist meteen hoe ik die heb opgelopen. Tussen 1965 en 1970 voer ik tussen Zuid-Afrikaanse en West-Europese havens, onder andere met asbest als vracht. In die tijd werd asbest nog gewoon in jute zakken vervoerd. Als het schip leeg was, moest ik het ruim aanvegen. Aan veiligheidsvoorschriften deden we amper. Wisten wij veel dat je daarvan ‘asbestkanker’ kreeg.

„Na allerlei onderzoek moesten we in oktober bij een professor in Antwerpen komen – mijn vrouw, de kinderen en ik. We kregen te horen: paar chemokuren, beetje bestralen en verder is er niks meer aan te doen. Ik vroeg: hoe lang heb ik nog? De dokter zei: ik heb patiënten die na drie maanden begraven zijn, ik heb er ook die nog wel acht jaar halen – alles daar tussenin is mogelijk.

„Zo’n klap komt eerst hard aan natuurlijk. Maar ’s avonds zei ik tegen de kinderen: jullie stappen straks in je auto en ik hoop dat jullie veilig thuiskomen. Ik bedoel: je kunt jarenlang tobben om die kanker en dan doodgaan door een auto-ongeluk.

„Mijn boek is verschenen op het moment dat ik klaar was met de chemokuren. Mooi moment. Puur toeval. In augustus word ik 65 jaar. Dat haal ik nog wel. En dan? Geen idee. Ik slaap goed, ik eet goed en tot nu toe heb ik een prachtig leven gehad. Niemand kan ooit weten hoe het leven verder gaat. Het heeft totaal geen zin je daarover druk te maken. Dat doe ik dus maar niet, ik zie ’t wel.”

Tekst & foto’s

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord