De dodelijke smak van een Keniaanse hardloopmiljonair

Frits Conijn schreef een boek over de neergang van Samuel Wanjiru, de eerste Keniaan die olympisch goud won op de marathon. „Niemand zorgde voor zijn ziel.”

Het begin van Wanjiru’s einde: zijn triomf in Peking. Het ging daarna snel bergafwaarts met de gouden medaillewinnaar. Foto’s Reuters

Frits Conijn heeft Samuel Wanjiru nooit gekend. Toch noemt hij hem amicaal Sammy. De dood van de olympisch marathonkampioen heeft hen nader tot elkaar gebracht. Met journalist Conijn in een rol als schrijver van een boek over een tragedie met drank, seks, geld, hebzucht en geweld als componenten. Het is een aangrijpend verhaal geworden over het destructieve leven van een begenadigde loper. „Wanjiru kon geen weerstand bieden aan de verleidingen waaraan een Keniaanse miljonair wordt blootgesteld.”

Hoeveel verwijten Wanjiru ook zijn te maken, sympathie voert de boventoon bij Conijns gevoelens voor een sociale jongen en fenomenale marathonloper, die bijna een jaar geleden zijn leven verloor bij een val zijn balkon. Een ongeluk? Zelfmoord? Moord? De schrijver heeft het mysterie niet kunnen ontrafelen. Maar hij denkt aan een ongelukkige val als doodsoorzaak.

Ogenschijnlijk was de zoektocht van Conijn onlogisch. Van een casual geklede, wat asportief ogende vijftiger verwacht je niet de drang de ondergang van een atleet te onderzoeken. En toch was dat zijn primaire reactie toen Conijn een jaar geleden van Wanjiru’s dood en allerlei vuige verdachtmakingen hoorde. „Ik wist meteen dat ik iets met het onderwerp wilde doen. Omdat het alle elementen van een fantastisch, dramatisch verhaal heeft. Aangezien het zich in Afrika afspeelde heb ik het samen met mijn Tanzaniaanse vriend Simon Maziku gedaan. Hij begrijpt het continent beter dan ik.”

In het boek Doodloper wordt pijnlijk duidelijk hoe een simpele jongen het slachtoffer wordt van een instabiele opvoeding, slechte scholing en een wankelmoedige persoonlijkheid met een sterke hang naar drank en seks. Wanjiru groeit op zonder vader, wordt al jong gedropt bij opa, omdat zijn moeder voor geld als barmeisje en periodiek ook als prostituee naar de kustplaats Mombassa vertrekt. Als tienjarige werkt Wanjiru in een bar, waar hij onder andere de restanten in de door hem verzamelde bierflesjes opdrinkt.

Diezelfde jongeman heeft echter een talent voor hardlopen. Zo uitzonderlijk dat hij in Kenia al gauw iedereen verslaat. Via een connectie belandt Wanjiru als vijftienjarige bij een trainingsgroep van een high school in Japan. In dat strak gestructureerde land ontwikkelt hij zich tot een groot kampioen. Wanjiru verbetert wereldrecords op de halve marathon in Rotterdam en Den Haag, wint de prestigieuze marathons van Londen, Fukuoka en Chicago. Zelfs behaalt hij in 2008 olympisch goud in Peking. Als eerste Keniaanse winnaar van de marathon ooit. Wanjiru is op slag een volksheld, de man die Kenia verenigt nadat het land nog geen jaar daarvoor was verscheurd door bloedige tribale twisten.

Maar het complexe leven na ‘Peking’ wordt een vrije val naar de afgrond. De spanningen tussen Wanjiru’s moeder Hannah en zijn vrouw Terezah lopen hoog op. Wanjiru houdt er zeker drie andere vrouwen op na – van wie er twee een kind van hem hebben. Zijn drankgebruik wordt excessiever en zijn seksuele en gewelddadige uitspattingen talrijker. Wanjiru zelf kan zijn leven niet meer regisseren. En hij laat zich ook niet meer regisseren door anderen.

Conijn heeft mededogen. „Ik weet niet of Sammy ermee gered had kunnen worden, maar de Keniaanse atletiekbond en zijn Italiaanse manager Federico Rosa hadden hem moeten helpen. Hij had moeten vertrekken uit Nyahururu. Daar werd jacht op zijn geld gemaakt. Als je veel verdient is het in Kenia regel om familie en vrienden geld toe te stoppen. Maar bij Wanjiru ging dat wel heel meedogenloos. Als hij de kroeg binnenkwam, begon iedereen te sms’en: ‘Kom hierheen, gratis drank’. Nou, ik geef het je te doen dan weerstand te bieden. Het hele dorp wilde geld van hem. Je weet op den duur niet meer wie je kunt vertrouwen. Sammy was op het laatst heel somber. Hij ging niet meer trainen en zat voortdurend in de kroeg. Alleen onder invloed van drank voelde hij zich nog lekker. ‘Niemand zorgde voor zijn ziel’, zoals zijn Japanse coach het treffend formuleerde.”

Op de avond van 15 mei 2011 moest Wanjiru zijn losbandige leven bekopen met de dood. Over de oorzaak gaan verschillende verhalen. Hij zou door echtgenote Terezah in bed zijn betrapt met een barmeisje, waarna zij het huis had afgesloten en Wanjiru in een poging haar te achterhalen van het balkon zou zijn gevallen. De politie hield het na een kort en ogenschijnlijk klunzig onderzoek eerst op zelfmoord. Later hingen ze de theorie van Terezah aan dat het een ongeluk was. Na zijn persoonlijke bevindingen in Nyahururu denkt Conijn ook in die richting. Volgens hem viel Wanjiru van zijn balkon, waar hij met een dronken kop in paniek vanaf was gesprongen, nadat hij bij thuiskomst was opgewacht door een groep rooflustige mannen.

Het ondersteunende bewijs voor Conijns aanname is het onderzoek van patholoog Frank van de Goot op basis van het post mortem-rapport dat de schrijver in handen had gekregen – en situatiefoto’s van Wanjiru’s balkon. Conijn: „Onder het balkon is een afdakje en vermoedelijk heeft Wanjiru dat in zijn val geraakt, waardoor hij op zijn achterhoofd is terechtgekomen. En dan kun je van een hoogte van vier meter 25 een lelijke smak maken.”

De eerste conclusie van de politie dat Wanjiru zelfmoord heeft gepleegd, is volgens Conijn quatsch. De schrijver ziet te veel eventualiteiten om dat onderzoek serieus te nemen. „De politie is niet erg bereidwillig de zaak op te lossen. Vanwege corruptie? Ik kan dat niet hard maken. Maar om het op z’n Engels te zeggen: I can smell a rat. Bovendien heeft de politie rond Kerst 2010, toen Wanjiru zijn vrouw met een AK47 bedreigde, niet het geweer in beslag genomen, maar naar verluidt wel een kistje met 390.000 dollar. Dat geld is spoorloos. En dan gaat er nog het gerucht dat Terezah een relatie had met de hoofdcommissaris. Van de politie kreeg ik dus geen medewerking. Ik heb dan ook geen beelden van de bewakingscamera van de avond van Wanjiru’s dood kunnen zien.”

Conijn mag een van de grote sportmysteries niet hebben opgehelderd, hij bestempelt zijn boek wel als een nauwgezette constructie. De auteur heeft tijdens zijn verblijf in Nyahururu vrijwel iedereen kunnen spreken, zelfs moeder Hannah en echtgenote Terezah. „Voor de moeder was ik een beetje bang. Nadat ze tijdens een ceremonie voorafgaande aan de begrafenis mensen met een mes had bedreigd, dacht ik met een losgeslagen gek te maken te krijgen. Maar ze was heel hartelijk. Van Terezah kreeg ik een rare smaak in mijn mond. Bij haar ging het alleen maar over geld. Nu was de situatie compleet ontspoord en kan ik me voorstellen dat zij kwaad is dat Wanjiru het familiekapitaal er doorheen joeg. Ze heeft Nyahururu inmiddels uit veiligheidsoverwegingen moeten verlaten. Maar ik merkte bij haar wel heel weinig mededogen.”

Het gaat Conijn te ver het leven van Wanjiru exemplarisch te noemen voor de Keniaanse hardlopers. Maar het gaat wel erg vaak mis. In de epiloog van zijn boek somt hij daarvan enige voorbeelden op. Conijn schrijft de oorzaak voor een belangrijk deel toe aan de stammencultuur. „Dat creëert een sterk sociale controle. Wat ontbreekt zijn vreemde ogen die kunnen dwingen. Ik denk dat veel Kenianen niet of nauwelijks naar zichzelf kunnen kijken. Wanjiru toonde, naast weinig zelfdiscipline, ook weinig zelfreflectie. Zelfs in het gedisciplineerde Japan moest hij wel eens dronken een kroeg worden uitgedragen. En dan wilde hij vervolgens nog naar een blote-tietenbar. Zodra in Nederland sporters als Patrick Kluivert of Yuri van Gelder ontsporen, wordt hulp verleend. Komt daar in Kenia maar eens om. No way.”

Conijn hoopt dat zijn boek een aanzet kan geven tot verbeterde begeleiding van Keniaanse lopers. Daarom heeft hij zelf een uitgever in Kenia gezocht, zodat zijn boek ook daar verkrijgbaar is. De presentatie is naar verwachting eind juni, een gebeurtenis die nu al wordt voorbereid. „Het wordt een bliksemoffensief”, vertelt de schrijver. „Ik word een paar dagen van tevoren ingevlogen, doe op één dag alle interviews en neem daarna de eerste vlucht naar huis. Om veiligheidsredenen. Niet iedereen komt er goed af in mijn boek. Zoals? De politie bijvoorbeeld.”

Frits Conijn hoopt ooit de doodsoorzaak te weten te komen. Maar hij verwacht dat niet. „Ik denk dat de zaak Wanjiru langzaam van tafel schuift. Want de volgende looptalenten staan al klaar.”