Afmattend geworstel met een kroongetuige

Het proces tegen elf verdachten van liquidaties in de onderwereld nadert zijn einde. Maandag begint het OM met het formuleren van de eis. Het proces kent een ,,afmattende worsteling” tussen een kroontgetuige en het OM. Moeten regels rond kroongetuigen worden herzien?

Peter la S. Tekening Felix Guérain

Oud-rechter Willem van Bennekom herinnert zich nog hoe hij en zijn mederechters „hebben zitten zweten” op het vonnis in het proces tegen hasjhandelaar ‘de Hakkelaar’ in 1997. In die zaak had het Openbaar Ministerie (OM) met twee getuigen een deal gesloten in ruil voor hun verklaring, zonder dat daarover in de wet ook maar iets geregeld was. Met één van de twee getuigen had het OM zelfs afgesproken dat hij in het geheel niet vervolgd zou worden voor zijn aandeel in grootschalige drugshandel. Hij hoefde alleen alsnog belasting te betalen over zijn illegale inkomsten.

Van Bennekom en zijn twee mederechters oordeelden uiteindelijk dat de afspraken met de getuigen in deze zaak acceptabel waren, maar pleitbezorger van deals met kroongetuigen is Van Bennekom later nooit geworden. „Het middel herbergt een permanent risico voor de waarheidsvinding in zich.”

De voorzitter van de rechtbank die indertijd de Hakkelaar veroordeelde, was Frits Lauwaars. Lauwaars leidt nu – op weg naar zijn pensioen – al drie jaar de rechtbank die moet beslissen over de veroordeling van elf verdachten van zeven huurmoorden en plannen daarvoor in de Amsterdamse onderwereld. Maandag begint het Openbaar Ministerie het requisitoir in deze zaak, dat zes hele dagen zal duren.

De liquidatiezaak leunt voor een groot deel op verklaringen van kroongetuige Peter la S., die in het criminele circuit ‘vieze Peter’ werd genoemd wegens zijn slechte gebit. Hem is strafvermindering, bescherming en geld om een nieuw bestaan op te bouwen toegezegd in ruil voor zijn verklaringen.

Betalen voor verklaringen is in Nederland niet toegestaan. Maar omdat La S. niet wil worden opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma, zo legde officier van justitie Betty Wind op de zitting uit, krijgt hij „financiële ondersteuning” om zelf „een veilig en legaal sociaal-economisch bestaan op te bouwen”. Hij kan hiervoor van de overheid geld lenen, voor een periode van tien jaar, om een woning aan te schaffen en een bedrijf te beginnen.

Strijd over de invulling van de bescherming domineerde de afgelopen drie jaar de verhouding tussen La S. en het Openbaar Ministerie. De kroongetuige weigerde meermalen verder te verklaren omdat hij ontevreden was over de samenwerking met het Team getuigenbescherming van het Korps Landelijke Politiediensten. In april lekte een brief uit waarin het OM schrijft dat hij „onmogelijke en ontoelaatbare eisen stelt” waaraan de staat „niet kan en niet wil” voldoen. Op de zitting stelde officier Wind dat La S. de bijna voltooide strafzaak gebruikt als „breekijzer” om „zijn zin te krijgen”.

Procedurele fratsen

Criminoloog Cyrille Fijnaut denkt dat dit „afmattende geworstel” tijdens een rechtszaak voorkomen kan worden door kroongetuigen méér te bieden dan nu mogelijk is. Hij schrijft erover in het komende nummer van vakblad Justitiële verkenningen. De huidige regels laten alleen toe dat de helft minder straf wordt geëist. Dat schept volgens Fijnaut voor een kroongetuige niet zó’n groot belang dat deze zich wel twee keer bedenkt alvorens alle mogelijke procedurele fratsen uit te halen met het OM en de rechter”.

Fijnaut betoogt daarbij dat de mogelijkheden voor het inzetten van criminelen in Nederland veel beperkter zijn dan in de Verenigde Staten, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In Duitsland kan de hele straf worden kwijtgescholden als er geen levenslang op het delict staat waarvan iemand wordt verdacht. In Groot-Brittannië kan volledige immuniteit voor strafvervolging worden verleend en kan een vonnis zelfs achteraf worden vernietigd om een kroongetuige te belonen voor het belasten van medecriminelen.

Nú is volgens Fijnaut het moment om de regels in Nederland aan te pakken. In september verloopt een aanwijzing waarin het College van procureurs-generaal de maximale beloningen aan getuigen heeft begrensd. Een woordvoerder van het college laat weten dat nog niet besloten is of die regels „geactualiseerd” dienen te worden.

Advocaat Bénédicte Ficq, wier kantoor drie verdachten in het liquidatieproces verdedigt, ziet in de criminoloog Fijnaut een „warm pleitbezorger van het uitbreiden van bevoegdheden van het Openbaar Ministerie met een goed gevoel voor timing.” Maar zijn redenering laat wat haar betreft precies zien waarom het riskant is met kroongetuigen te werken. „Als je ze maar genoeg betaalt, krijg je de getuigenis en de houding die je wil.”

Ficq vindt dat de overheid met kroongetuigen steeds opnieuw het Paard van Troje de rechtszaal inrijdt. „In Italië en Duitsland is het misbruikt door rivaliserende bendes. Dan wordt een zwakke broeder naar voren geschoven om wat te vertellen aan justitie met als bedoeling de concurrent uit te schakelen. Voor een crimineel die onder druk staat van zijn maten én politie en justitie, is de keuze snel gemaakt.”

Een kleine vis

Zaken waarin het Openbaar Ministerie kroongetuigen inzet, zijn voor rechters zonder meer gecompliceerd, zegt Willem van Bennekom. De rechter krijgt weliswaar de overeenkomst te zien die is gesloten met een kroongetuige, maar hij weet niet precies wat daaraan vooraf is gegaan. „Hoe zijn de gesprekken tussen justitie en de getuige gegaan, is er druk uitgeoefend? Was er sprake van een offer he couldn’t refuse? Dáár krijg je veel moeilijker zicht op.”

Een ander probleem is het inschatten van de importantie van de kroongetuige. Uitgangspunt in dit soort deals is dat je alleen met een kleine vis een grotere mag vangen. Maar één van de kroongetuigen in de Hakkelaarzaak, Fouad Abbas, werd vier jaar na afloop van die zaak zelf veroordeeld voor het witwassen van 150 miljoen euro drugsgeld. Had hij wellicht kunnen opklimmen in de hiërarchie nadat hij had geholpen zijn concurrenten uit te schakelen? En ook in het liquidatieproces staat dat uitgangspunt onder druk. Peter la S. was op zijn minst een huurmoordenaar – hij heeft betrokkenheid bij één moord (op Kees Houtman, 2005) bekend – maar zijn status in de criminele hiërarchie is niet volledig duidelijk.

Oud-rechter Van Bennekom vraagt zich meer principieel af of er geen sprake is van een ‘wilsgebrek’ als een beloning wordt gegeven voor een getuigenis. Die beloning groter maken, lijkt hem niet de juiste weg. Hij vindt dat eerst maar eens de effecten van inzet van kroongetuigen onderzocht moeten worden. „Laten we eens kijken, na zo’n vijftien jaar ervaring te hebben opgedaan, wat het opgeleverd heeft.”

Fijnaut ziet wel noodzaak nú de regels aan te passen. Alleen al omdat die anders worden uitgehold door de praktijk. Hij ziet dat Nederlandse rechters op eigen initiatief verdachten belonen als zij meewerken aan het ontrafelen van een zaak. Als belangrijkste voorbeeld daarvoor noemt hij de recente vonnissen van de rechtbank Haarlem in de Klimop-zaak over vastgoedfraude. De rechtbank heeft in die zaak straffen met eenderde verminderd omdat verdachten openhartig verklaringen hadden afgelegd nadat zij waren geconfronteerd met grote hoeveelheden bewijs. Het Openbaar Ministerie had tijdens de rechtszaak toegegeven dat de medewerking van de verdachten van groot belang was geweest.