Aanblik van de crisis

Een van de bekendste foto’s uit de crisis van de jaren dertig in de vorige eeuw is die van een jongeman die aan twee stokken een bord boven zijn hoofd draagt. Ik zoek werk, het hindert niet wat, staat erop (als ik het goed heb). Het is een zwart-witfoto. Hij loopt in een drukke straat, de mensen besteden geen aandacht aan hem. Een historisch wanhoopsplaatje.

Die crisis was overal zichtbaar. Op weg van huis naar school kwam ik langs een stempellokaal. Dat was een bureau waar de werklozen een stempel op een formulier moesten zetten om te bewijzen dat ze niet werkten en in ruil daarvoor kregen ze hun steun. Steuntrekkers werden ze genoemd. Bei mir bist du schön, we trekken van de steun, en we eten bij het crisiscomité. We krijgen erwtensoep, zo dun als koeiepoep. De rest weet ik niet meer. Het was een variant op een nummer van The Andrew Sisters. Misschien staat het op YouTube.

Werklozen hadden niet genoeg geld om sigaretten of sigaren te kopen. Maar in crisistijd hebben de mensen meer dan ooit behoefte aan tabak. De gefermenteerde bladeren van dit plantje schenken je een kleine maar intense existentiële onthechting. Even de illusie dat je buiten het bereik van de zwaartekracht bent. De werklozen pruimden, dat wil zeggen ze schoven een kauwstang, een pruim tussen hun kaken en begonnen te kauwen. Dat veroorzaakte een overmaat aan speeksel en op den duur verloor de pruim zijn kracht en werd die uitgespuugd. Die rest werd het ‘keessie’ genoemd. Aan de kleur van de stoeptegels kon ik zien dat ik de ingang van het stempellokaal naderde. Eerst waren ze lichtbruin, vlak voor de ingang bijna zwart.

Ik liep verder, langs het socialistische dagblad Voorwaarts. Aan de gevel hingen borden waarop met krijt het laatste nieuws was geschreven. Werklozen horen tot het publiek dat het grootste belang heeft bij het wereldnieuws. Ieder ogenblik willen ze weten of er al iets op wijst dat er een eind zou kunnen komen aan hun ellende. Daar stond een dichte drom de toestand van land en wereld te bespreken. Ik mengde me ertussen. Daar heb ik leren vloeken en schelden. Het godverdomme, kolerelijers en rotschoften was niet van de lucht. En dan kwam ik aan bij mijn keurige lagere school waar ik Franse woordjes leerde. Lang geleden vervangen door Engelse woordjes.

Nog één herinnering uit die goeie ouwe tijd. Ik had een vriendje, Jantje Human, die in een arme buurt woonde. Zijn vader had geen werk en was communist. Het Leger des Heils had toen een koor, begeleid door een muziekkorps. Op zondagochtend trok deze stichtelijke eenheid de arme buurten binnen om het geloof te verspreiden. Vader Human was daar niet van gediend. Zodra de eerste heilsoldaten verschenen, stormde hij met gespreide armen op hen af en met een reeks van vloeken werd het Leger verdreven. Tot mijn diepe eerbied.

Nu hebben we in deze crisis die al vier jaar duurt misschien een nieuw dieptepunt bereikt. Afgelopen zondag heeft zeven procent van de Griekse kiezers op de Gouden Dageraad gestemd. Wat een prachtige naam. Het is de partij van de neonazi’s. En meer dan acht procent gelooft nu dat de communistische partij het land zal redden. Hoe wanhopig moet je worden om te geloven dat van die kanten de oplossing zal komen?

In de kranten zie ik foto’s van wilde betogingen in Athene. De president sluit niet uit dat er binnenkort nieuwe verkiezingen moeten komen. Toevallig ben ik op een Grieks eilandje. Hoe ziet de crisis er hier uit?

Niet heel anders dan het vorig jaar. In de oude winkelstraat van het havenstadje was het vroeger ook in het voorseizoen al wat we noemen een gezellige drukte. De plaatselijke Kalverstraat. Nu zijn er nog meer winkels dichtgetimmerd. De deur van het kerkje staat open. Binnen klinkt een vroom gegalm en buiten, aan weerskanten van de ingang, liggen een paar stokoude honden te slapen. Ik geef ze de begroetingsaai. Hier is in ieder geval sinds de vorige eeuw bijna niets veranderd. Een eindje verder heeft de winkel die gespecialiseerd is in verrekijkers, zware windpistolen, knipmessen, switchblade knives en dergelijke artikelen zich ook gehandhaafd. In Nederland zijn die allang verboden. Hier kan je je nog altijd zwaar bewapenen.

Ik loop verder, langs de boulevard waar de Grieken het liefst hun auto voor het zeezicht parkeren. De autobezitters hebben zich gehandhaafd; van de horizon valt bijna niets te zien. En dan kom ik langs een terras waar het stampvol is, het enige. Allemaal Amerikanen. Het geheim ligt op zee. Tussen twee auto’s door zie ik een groot cruiseschip. Opeens merk ik dat de revolutionaire stemming me heeft aangestoken. Allemaal bonusprofiteurs, denk ik.

Het wordt tijd om dit stukje te gaan schrijven, maar ik ben benieuwd of u het zult lezen. Ik verstuur de tekst via een Vodafonekaart. Iedere dag zie ik grote rode veerponten met in koeien van letters het woord Vodafone erop. Maar ik heb gemerkt dat ook de digitale verbindingen van dit geweldige wereldbedrijf door de crisis zijn aangetast.

Terug naar de postduiven.