Verhuizen

Verhuizen is erg. Maar nog erger is: spijt krijgen van je verhuizing. Al na een week denken: wat heb ik gedaan?! Waarom moest ik daar zo nodig weg?

Het is mij in mijn leven drie keer overkomen, maar de eerste keer was de teleurstelling het hevigst. Ik woonde driehoog op de hoek van de Staalstraat en de Zwanenburgwal, met uitzicht op de Amstel en als ik mijn linkerraam openschoof en naar buiten leunde, kon ik ook nog de Montelbaanstoren zien. In mijn bed hoorde ik het gezellige geluid van langsvarende schepen. Het Waterlooplein was op kruipafstand, ongeveer driekwart van mijn meubilair kwam daarvandaan. Twee kleine kamers en een keukentje. Toen kon ik in de Sarphatistraat twee grotere kamers huren, het was begane grond met een tuintje waarin een bloeiende magnolia stond. Dat deed het hem, plus het feit dat er centrale verwarming was, voor kamerbewoners een ongekende luxe. Helaas, toen ik er eenmaal zat, miste ik mijn heerlijke salamandertje (brûle tout l'hiver), het gezellige poken in de antraciet, de directe warmte, keteltje voor de thee erop.

En eigenlijk vond ik de Sarphatistraat veel te ver van het centrum, alsof ik verbannen was naar Siberië. Als provinciaal, die net vijf jaar in Amsterdam woonde, had ik het liefst mijn intrek genomen in de Munttoren. Aanloop van vrienden en kennissen was er niet meer, want die meenden dat ze buiten de grachtengordel niets te zoeken hadden, net als ikzelf.

Het hevigst miste ik mijn uitzicht. In de Sarphatistraat woonde ik achter, met uitzicht op dat tuintje, maar zo’n magnolia bloeit maar enkele weken.

Dat huis is inmiddels afgebroken en vervangen door nieuwbouw, maar dat hoekhuis op de Zwanenburgwal staat er nog. Soms loop ik er langs, kijk naar boven en denk: was ik maar weer jong.