Schuldeloos leven

‘Jou heb ik ook heus wel gezien!” Daar heb ik hem te pakken en meteen vermoord. Bij bosjes ruk ik de onkruiden uit, spied onder het blad van andere planten en vernietig zelfs de teerste, kleinste blaadjes onverbiddelijk. Soms denk ik te horen wat ze in paniek of stervende zeggen: „ze is speciaal op ons uit!”, „wij waren ondergedoken, maar het hielp niet!” en „het is een massamoord!”

Tuinieren is helemaal niet vreedzaam. Het is oorlog. Soms denk je wel eens, bij weer een razzia in de tuin: planten leven toch ook? Waarom is het mijn goed recht ze uit te trekken, zonder verdoving hun takken af te knippen of zelfs de zaag in hun stam te zetten?

Zulke gedachten houden het meestal niet lang. Ze worden weggewuifd met een vluchtig beroep op ‘geen bewustzijn’ en de niet verder onderzochte mening dat planten geen pijn kunnen lijden.

Toch willen ze wel leven. Alles wat leeft, wil leven. Of is hier het woord ‘willen’ misleidend ingezet?

Onlangs las ik Fatsoenlijk eten. Mijn leven als proefkonijn van de Duitse schrijfster Karen Duve, een onverschillige eter die bijna een jaar lang zichzelf steeds radicalere eetgewoontes oplegde. Ze wilde weleens weten wat het betekent om een morele keuze te maken ten aanzien van het gebruik van andere levende wezens. Zo gaat ze van vegetariër via veganist naar fruitariër – niet alleen geen dieren, maar ook geen planten doden of leed berokkenen. Haar boek dwingt de lezer om zich af te vragen hoe de eigen ethische standpunten luiden, en om zich af te vragen of je over alles een ethisch standpunt moet innemen, en over welke dingen dan wel, en of je volledig consequent zou moeten zijn, en wat het uitgangspunt zou moeten zijn van zo’n standpunt.

Dit laatste is ogenschijnlijk niet zo moeilijk. De vermindering van leed in de wereld lijkt een aardige richtingaanwijzer, maar hoevéél minder leed? Wat is leed precies? Wie of wat lijden waardoor? Wat kun je hieraan doen?

Net als Karen Duve toen ze begon, willen de meesten van ons bij het kopen van een kipfilet liever niet denken aan de vraag of onze zin in gebraden kip de toestanden op kippenfokkerijen of in kippenslachterijen rechtvaardigt. Het antwoord zou immers niet anders kunnen luiden dan nee.

Zou er geen probleem zijn als de kip een goed leven en een pijnloze dood had gehad? Nee, zal menigeen vinden.

Toch is het niet zo vanzelfsprekend dat het moet zijn toegestaan om een wezen pijnloos te doden nadat het een leven heeft geleid dat past bij de aard van dat wezen. Geldt dit dan ook voor mensen?

Waarom zou je een mens anders – beter – behandelen dan een ander dier? Als wij maar zouden inzien dat wij ook dieren zijn, Duve hamert hier nogal op en veel dierenactivisten met haar, zouden we er wel anders over denken.

Tja. Afgelopen vrijdag waren in de Boekenbijlage verhalen te lezen die Duitse soldaten elkaar tijdens de oorlog vertelden: hoe ze plezier hadden als ze met een vliegtuig met een boordmitrailleur mensen opjoegen door de velden en hierbij op hun kruis schoten. Als deze mensen vielen, gingen ze verder. Tegenover kippen zouden ze zich niet anders gedragen.

Omgekeerd zouden kippen zoiets nooit doen, dus met het argument ‘we zijn allemaal dieren’ kom je niet zo ver. Het ene dier kent andere gedragingen en behoeftes dan het andere. We denken hier even aan de dieren die ervan bestaan levende antilopen te verscheuren of krabben levend en wel de poten uit te rukken, of hun eieren te leggen in de maag van een levend dier dat van binnenuit wordt opgevreten door de larven. De natuur is niet bepaald een fijne handleiding voor ethiek.

De beschaving, hoe gebrekkig ook, zou nergens zijn als mensen niet zouden optreden tegen de planten en de dieren – inclusief allerlei mensen – die hen omringen. Het verlangen naar schuldeloosheid, waar fruitariërs, en zij niet alleen, door worden gedreven en wat ze proberen te verkopen als hoogste moraal, is nogal kinderachtig. Er bestaat geen leven dat niet ander leven schade berokkent. Dit hebben de christenen met hun erfzonde heel goed begrepen. Alleen is het de vraag of je het per se ‘zonde’ moet noemen. Woorden maken veel verschil als het gaat om ethische standpunten.

Leven alsof je er niet bent, zonder ook maar een grasspriet te knakken of een tor te vertrappen, is mogelijk noch wenselijk. Dit zal wel een van de redenen zijn waarom die ethische modelfiguren vaak zo geweldig irriteren.

De andere reden is dat ze meer gelijk hebben dan je leuk vindt. Je kunt redeneren tot je een ons weegt, maar voor die goedkope kipfilet vind je geen excuus. De vermindering van leed nastreven is een uitgangspunt waar weinig tegenin te brengen is. Het valt, ook als het inconsequenties bevat, te prefereren boven onverschilligheid.

Maar dat zevenblad gaat eraan. Daar ben ik werkelijk hard in.