Revolutie leidt tot consolidatie

Net als eerdere opstanden in Arabische landen dreigt de Arabische Lente uit te lopen op een nóg repressievere sociaal-politieke orde. Maar dat wil niet zeggen dat Arabieren een bijzondere volkssoort zijn of dat de islam onveranderlijk is.

et massafeest van de democratische verwachting in de Arabische wereld is voorbij. Want wat hebben de Arabische opstanden de bevolkingen tot dusverre opgeleverd? Begin vorig jaar, na de snel succesvolle opstanden in Tunesië en Egypte, waren de verwachtingen hooggespannen: welke leider zou de volkswil nog kunnen trotseren? Maar de bedreigde regimes wapenden zich. De hulp van de NAVO moest eraan te pas komen voordat de Libische leider Gaddafi uiteindelijk in het najaar bezweek. En de Arabische Golfstaten moesten bijstaan om de Jemenitische president Ali Abdullah Saleh in februari weg te krijgen. De vraag is of de democratische revolutie alsnog gaat doorzetten. Wael Ghonim, een van de hoofdrolspelers in de Egyptische opstand van januari/februari 2011, blijft erbij in zijn Revolution 2.0. En Marc Lynch is in The Arab Uprising het daar gedeeltelijk mee eens.

Daarbij is het voorlopig gebleven. De Syrische president Bashar al-Assad, aanvankelijk ook al afgeschreven, biedt nog steeds bloedig weerstand en niemand denkt dat hij binnenkort valt. In Bahrein heeft het Saoedische leger orde op zaken helpen stellen. De overige regimes hebben hun uitdagers terug naar huis gedreven. De ultraconservatieve Arabische Golfstaten steunen met hun oliemiljarden de contrarevolutie.

Vier autocraten zijn uiteindelijk gevallen. Dat is, in een bestek van ruim een jaar, natuurlijk schokkend. Maar nergens, tot op zekere hoogte uitgezonderd Tunesië, kan je vandaag van een zichtbare democratische ontwikkeling spreken. Het leger heeft er nog steeds veel greep op het landsbestuur (Egypte) of het land is van een akelige autocratie onderweg naar een mislukte staat (Libië en Jemen).

Waar inmiddels verkiezingen zijn gehouden hebben fundamentalistische of de radicalere salafistische partijen een dominante positie in het parlement veroverd. Niemand weet nog wat dat gaat betekenen voor de eventuele democratische ontwikkeling. En, geen bijzaak, de onrust waarmee de opstanden en de overgangen naar een nieuw bewind gepaard gingen en gaan, heeft de levensstandaard verder onder druk gezet.

De Britse denktank Chatham House waarschuwde onlangs nog dat de economische crisis in Egypte nieuwe spanningen en een tweede opstand kan losmaken. Tienduizenden Tunesiërs demonstreerden op 1 mei in Tunis voor ‘brood, vrijheid en sociale waardigheid’. Was dat niet hetgene waar ze vóór de val van sterke man Ben Ali ook al voor demonstreerden?

‘Nu zoveel mensen makkelijk kunnen communiceren met elkaar, is de wereld minder gastvrij voor autoritaire regimes [..] Langzaam maar zeker worden de wapens van massa-onderdrukking onbruikbaar’, schrijft Wael Ghonim in de epiloog van Revolutie 2.0, zijn spannende persoonlijke memoire van de opstand die op de eerste verjaardag van het begin van de opstand, op 25 januari, uitkwam. ‘Ik geloof dat de Egyptenaren nooit meer een nieuwe farao zullen tolereren’, aldus Ghonim in Revolutie 2.0.

Onder Revolutie 1.0, ressorteren de revoluties uit het verleden, die werden aangevoerd door charismatische leiders. Het oude revolutie-model heeft juist veel van de farao’s voortgebracht die nu zijn omvergeworpen of zich nog tegen hun oppositie verweren. In het revolutie 2.0-model ‘is niemand de held omdat iedereen de held is.’ Ghonim zelf was (en is) apolitiek en bleef als een van de virtuele gangmakers van de opstand anoniem; hij kwam pas uit de kast na zijn arrestatie, toen de protesten tegen het corrupte en repressieve regime van Mubarak aanzwollen. Zijn emotionele toespraak op de staatstelevisie na zijn vrijlating elf dagen later, op 7 februari, gaf de betogersmassa de aanzet voor haar grootste krachtsinspanning tegen Mubarak, die vier dagen later door het leger werd gewipt.

Er zijn meer analisten en historici die net als Ghonim het gebrek aan een charismatische leider – die groot risico loopt in een nieuwe dictator te veranderen; zie Nasser in Egypte of Gaddafi in Libië – het sterkste punt beschouwen van de opstanden in de Arabische wereld. Maar de anonimiteit en het apolitieke karakter van de revoluties kan omgekeerd ook verklaren waarom de volksbeweging na de eerste grote successen vastliep. De farao was gevallen – wat nu? Eerst de economie of de politiek? Totale democratie of beetje bij beetje? Wat moest meteen gebeuren en wat duldde uitstel?

Al gauw stonden verschillende groepen tegen elkaar te schreeuwen. Daar wist in het Egyptische geval het leger wel raad mee. Vijftien maanden later wacht Mubarak op zijn vonnis. Dat is een nachtmerrie voor andere bedreigde leiders en een vreugde voor veel activisten, maar het zal de generaals een zorg zijn. De stokoude Mubarak was voor hen al vóór zijn val een blok aan het been geworden. Zij richten zich op het behoud van hun grote economische belangen en zetten nu alles op alles hun greep op het land in de komende ‘democratische’ grondwet verankerd te krijgen.

Ander voorbeeld: in Libië, waar de opstand een oorlog werd, weigeren de ex-rebellen hun wapens in te leveren om zo greep te houden op de macht. Na de val van de gehate tiran strijdt nu stam tegen stam, stadsmilitie tegen stadsmilitie terwijl het zwakke centrale gezag machteloos toekijkt. De schendingen van de mensenrechten worden nu lokaal bedreven.

Ghonim neemt de lezer mee de opstand in; een heel ander soort boek is The Arab Uprising van de Amerikaanse politieke wetenschapper Marc Lynch. Lynch maakte naam als deskundige toen hij als Abu Aardvark over Midden-Oosterse ontwikkelingen blogde. De eerste boeken die vorig jaar al uitkwamen over wat toen nog vaak de ‘Arabische Lente’ heette, waren haast ééndimensionaal: de televisieverslaggever deed op papier nog eens verslag van wat hij had gezien. Lynch heeft zichzelf meer tijd gegund en komt nu met een gedegen (en zeer leesbare) analyse.

Tot op zekere hoogte is hij het met Ghonim eens: de Arabische burgers hebben macht gekregen. Van nu af aan, schrijft hij, zullen ze een steeds grotere rol spelen in de regionale politiek. ‘Iedereen die een belang heeft bij de toekomst van de regio zal zich daaraan moeten aanpassen’. Maar, zo waarschuwt hij, zo’n grotere rol betekent niet automatisch dat de uitkomst democratisch zal zijn.

De opstanden worden vaak gezien als plotselinge gebeurtenissen, maar Lynch wijst erop dat het lang niet de eerste keer is dat Arabieren massaal in opstand kwamen. Wael Ghonim schrijft dat in Egypte de geesten rijp zijn gemaakt door Kefaya (Arabisch voor ‘genoeg’), de beweging van linkse intellectuelen die vanaf 2004 regelmatig de straat opgingen om tegen Mubarak te demonstreren, en er zich niets van aantrokken dat ze door de oproerpolitie in elkaar werden geramd. Maar Lynch gaat veel verder terug.

In de jaren vijftig gingen miljoenen mensen de straat op tegen hun regimes op instigatie van andere regimes zoals dat van Nasser. In de jaren zeventig en tachtig was er een nieuwe golf van protest. Denk alleen maar aan de Algerijnse massaprotesten van 1988 tot en met de militaire coup in 1992. En een derde golf van volksmobilisatie begon rond het jaar 2000, beginnend met steundemonstraties voor de tweede Palestijnse intifadah, gevolgd door protesten tegen de Amerikaanse invasie van Irak. Miljoenen Libanezen gingen in 2005 de straat op na de moord op oud-premier Hariri om het vertrek van het Syrische bezettingsleger te eisen.

Arabieren zijn dus niet, zoals wel is gesuggereerd, een bijzondere volkssoort die altijd maar de politieke orde van de dag hebben getolereerd, onderstreept Lynch. Er is geen nieuwe opstandigheid en er is dus ook niet de een of andere unieke nieuwe factor als Facebook en Twitter die de Arabische opstanden verklaart, concludeert hij.

Maar Lynch wijst er ook op dat de protestgolven nooit tot democratie hebben geleid. Integendeel, juist tot een steviger verankering van autoritaire regimes. ‘Revolutionaire mobilisatie eindigde in de herconsolidering van staatsgezag, soms onder nieuwe leiders en soms onder overlevende regimes. De geschiedenis leert ons dat de Arabische opstanden van 2011 een grote kans lopen te resulteren in een zelfs meer repressieve, verstikkende regionale orde.’ Of zal de nieuwe macht van de Arabische burgers ‘dit tragisch lot’ voorkomen? vraagt hij zich af. Niet als het aan de Saoedische contrarevolutie ligt, zo weten we al. De interventie in Bahrein, waar de oppositie nu wordt weggezet als pro-Iraanse opruiers, vormt slechts de eerste concrete aanwijzing daarvan.

Wael Ghonim: Revolution 2.0. Fourth Estate, 308 blz. € 19,-Marc Lynch: The Arab Uprising. The unfinished revolutions of the new Middle East. Publicaffairs Books, 269 blz. € 25,-