Pijn

Het was zo pijnlijk dat het komisch was – bijna. Een groepje klagers dat zich Federatief Joods Nederland noemde, spande vorige week een kort geding aan tegen de gemeente Bronckhorst-Vorden, omdat die op 4 mei naast Engelse ook een tiental gesneuvelde Duitse soldaten wilde herdenken. Engelse veteranen hadden geen bezwaar, maar de rechter verbood de burgemeester langs de Duitse graven te lopen. Een andere organisatie, genaamd TOF (Tradition is Our Future) liet tijdens de herdenking een vliegtuigje met de slogan „Vorden is fout” boven het dorp vliegen.

Het misverstand is dat herdenken ook meteen vergeven zou inhouden

De idiote uitspraak van de rechter sterkte het FJN in de overtuiging dat het op de goede weg is: de organisatie heeft aangekondigd alle herdenkingen waarbij ook Duitsers herdacht worden via de rechter te laten verbieden.

Het is nooit prettig wanneer zeloten uit jouw naam spreken – Ewoud Sanders schreef in deze krant een krachtig stuk tegen splintergroepjes die hun moreel gelijk proberen af te dwingen door uit naam van alle Nederlandse Joden te spreken. Raoul Heertje herhaalde wat hij eerder in zijn bestseller Mark Rutte is lesbisch al had gemeld – Federatief Joods Nederland bestaat slechts uit advocaat Loonstein en een paar familieleden.

Heertjes ergernis betreft de media, die zulke potsierlijke ballonnen van wat hij „Joodse oproerkraaiers” noemt niet lekprikken. Dat komt niet zozeer omdat journalisten lui zijn, zoals hij lijkt te denken, maar uit het angstvallige respect voor de pijn van de slachtoffers van de Holocaust. Dat is precies de schroom waar Federatief Joods Nederland misbruik van maakt, maar dan nog – waarom zou je er je vingers aan branden? Het is een onderwerp waar argumenten het altijd afleggen tegen emoties. Bovendien is de discussie seizoensgebonden – straks heeft iedereen het weer over Zomergasten, en daarna al gauw weer over de vraag of Zwarte Piet racistisch is. Volgend jaar mei beginnen we gewoon opnieuw.

De verbetenheid van Loonstein en zijn familie komt voort uit een emotie die ik kan begrijpen: de angst dat de samenleving haar schouders ophaalt voor de gruwelen uit het verleden, de angst voor het grote vergeten. Vandaar de weerzin tegen iedere vorm van verwatering – het herdenken van oorlogsdoden van ná de Tweede Wereldoorlog en – veel erger – het relativeren van goed en kwaad. De uitspraak van een van de betrokkenen bij de herdenking in Vorden dat de gesneuvelde Duitse jongens ook „slachtoffers van omstandigheden” waren, is voor zulke mensen het bewijs van een gruwelijk moreel relativisme, waarbij in de woorden van het Simon Wiesenthal Centrum, dat zich ook tegen de kwestie-Vorden aan bemoeide, „de essentiële scheidslijn tussen slachtoffers en bezetters” wordt uitgewist.

Ik begrijp die angst, maar je kunt er gemakkelijk een gevangene van worden. Wanneer je enkel nog de uniciteit van het eigen leed aan het bewaken bent, heb je geen oog meer voor leed van anderen. Het herdenken zelf wordt dan een fetisj – en krijgt de zelfgenoegzame trekjes die we de afgelopen week zagen.

Het misverstand is dat herdenken ook meteen vergeven zou inhouden. Het besef dat daders in laatste instantie ook menselijk zijn, betekent geen rechtvaardiging van hun daden. Door je gedachten te laten gaan over het lot van de gesneuvelde Duitse jongens in Vorden vergroot je je bewustzijn van wat er in die jaren heeft plaatsgevonden. Dat is nodig wanneer je met hun nazaten wilt samenleven – en ook als je iets van de geschiedenis wilt leren. Dat heet verwerken. Met relativeren of vergeven heeft het niets te maken.

Nederlanders zijn daar niet goed in. Tijdens de herdenking op de Dam dit jaar zag ik een groep kinderen bloemen neerleggen bij het Monument ter nagedachtenis van de doden. Dat was een mooi gezicht, maar ook pijnlijk: het gedicht van een leeftijdsgenoot van hen, waarin de moreel complexe werkelijkheid van de oorlogsjaren vanuit zijn gezichtspunt heel goed werd beschreven, was immers geweerd om overlevenden niet te kwetsen. Begrijpelijk wellicht. Maar wanneer je een herinnering wilt doorgeven aan een volgende generatie, moet je die ook echt aan hen durven overdragen.