Kijken naar de slaapstad met een sardonisch mededogen

John Cheever: Bullet Park. Vertaald door Guido Golüke. Van Gennep, 232 blz. € 17,90

Elk boek is een samenzwering tussen schrijver en lezer, en in zijn roman Bullet Park bevestigt John Cheever die samenzwering meteen al in de eerste zin. Kijk hoe hij de locatie van zijn verhaal introduceert, de slaapstad waarnaar de roman is genoemd. ‘Schilder dan maar een klein spoorwegstationnetje voor me, tien minuten voor het donker wordt,’ begint hij op bedrieglijk losse toon. In één beweging benadrukt hij het fictieve karakter van zijn onderneming en betrekt hij de lezer erbij, want het is net of die wordt uitgenodigd het decor van het verhaal tot stand te brengen. Die uitnodiging is niet vrijblijvend, er zijn weinig schrijvers die hun lezers zo hard nodig hebben als Cheever. Dat blijkt uit het feit dat hij zo ontzettend veel moeite voor ze doet: in het eerste hoofdstuk neemt hij ons vanaf dat stationnetje mee op een duizelingwekkende en prachtig beschreven rondleiding door de slaapstad, waarbij tussenstops worden gemaakt bij diverse huizen en hun bewoners. Zijn al die mensen en verhalen onmisbaar voor het plot? Welnee, maar omdat we genieten van de lyrische brille waarmee Cheever ons van hot naar her voert, zijn we bereid hem overal te volgen.

De Amerikaan John Cheever (1912-1982) is vooral bekend vanwege zijn klassieke verhalen. De beste daarvan gaan, net als Bullet Park, over de middenklasse die zich in de slaapsteden probeert staande te houden. Wat die verhalen, en deze roman, zo aangrijpend maakt is dat Cheever nergens vervalt tot plat sarcasme of ironie. Hij ziet de gebreken van de moderne mens, maar kan tegelijkertijd lyrisch diens leven bezingen, met wat je misschien nog het beste kunt omschrijven als ‘sardonisch mededogen’. Hij ziet het bedrog, de hypocrisie en de absurditeit, maar weet tegelijkertijd dat we niet anders, niet beter, kunnen, dat dit het hoogste is wat binnen ons bereik ligt en dat we het daarom maar moeten aanvaarden.

De verleiding is groot om dit op Cheever zelf te betrekken. De schrijver woonde tenslotte zelf in een slaapstad, als een gezinshoofd dat met zijn homoseksualiteit worstelde. Zijn lyrische aanvaarding-tegen-beter-weten-in van het bestaan in de slaapsteden zou je kunnen zien als een poging tot bezwering van de schijn die hij zelf ophield. En daarom heeft Cheever zijn lezers nodig: om die bezwering in stand te houden. Kijk, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, kijk, ons alledaagse leven is volstrekt absurd, dus wat kunnen we eraan doen? Voor we het weten geven we hem gelijk, hij schrijft er verleidelijk genoeg voor.

De echte bezwering vindt plaats door Cheevers betoverende stijl, waardoor alles bijeen wordt gehouden. En Bullet Park heeft die stijl nodig, want een ‘weergaloos gecomponeerde’ roman, zoals de flaptekst van de heruitgebrachte (en herziene) Nederlandse vertaling vermeldt, is het niet. Maar dat geeft niet. De kracht van de roman (die oorspronkelijk verscheen in 1969) ligt in de vreemde overgangen, de uitweidingen en perspectiefwisselingen, die het verhaal de juiste mate van raadselachtigheid meegeven.

Want raadsels zijn er genoeg. Na de rondleiding van het eerste hoofdstuk concentreert Bullet Park zich op gezinshoofd Eliot Nailles. Na een kerkdienst maakt hij kennis met een nieuwe buurman, Paul Hammer. Vanwege de combinatie van hun achternamen voelt Nailles meteen onraad, en inderdaad, Hammer en Nailles, hamer en spijkers, dat kan niet goed aflopen.

Maar vooralsnog heeft Nailles een ander probleem: zijn zoon Tony komt zijn bed niet meer uit. Artsen kunnen niets voor de jongen doen, maar een vreemde swami krijgt hem weer op de been. En daarna wisselt het perspectief van de roman opeens en begint buurman Hammer in de eerste persoon enkelvoud zijn levensverhaal te vertellen.

Die Hammer blijkt een verontrustend personage. Als buitenechtelijk kind heeft hij zich zijn leven lang geïsoleerd gevoeld, een eenling, geen onderdeel van een groter geheel. Eenmaal in Bullet Park aangekomen, besluit hij dat het tijd is om de wereld een les te leren. Iemand moet worden geofferd, in de kerk waar Hammer en Nailles elkaar ooit ontmoetten. En de keuze valt op Tony, de zoon van Nailles, die net zijn bed weer uit is.

Tony wordt dus een soort omgekeerde Christus: eerst opgestaan, dan gekruisigd. Dat is raadselachtig en vervreemdend, juist omdat de scène waarin Hammer Tony wil offeren en Nailles er alles aan doet om dat te voorkomen, beschreven wordt in een afstandelijke, beknopte stijl die vreemd afsteekt tegen de lyriek waarmee de lezer Bullet Park werd binnengevoerd. En daarna wordt de vervreemding vervolmaakt in de fameuze slotzin, de sardonische uitsmijter waarin toch nog steeds die ondertoon van verlangen en bezwering meeklinkt: ‘Tony ging op maandag weer naar school en Nailles ging – gedrogeerd – naar zijn werk en alles was weer even geweldig, geweldig, geweldig, geweldig als voorheen.’