Jongen of meisje? Bij sommige baby's blijft die vraag

Gespecialiseerde teams kunnen het geslacht bepalen van baby’s van wie dit niet duidelijk is. Soms wordt die beslissing uitgesteld.

In Nederland worden jaarlijks tien tot twintig baby’s geboren van wie niet meteen duidelijk is of het jongens of meisjes zijn. Dat zegt kinderarts-endocrinoloog Erica van den Akker van het universitair medisch centrum Erasmus MC in Rotterdam. Maar het aantal baby’s bij wie tijdens de geslachtsontwikkeling in de baarmoeder iets misgaat, is veel groter. Dat zijn er enkele honderden per jaar.

Alle aangeboren geslachtelijke ontwikkelingsstoornissen worden disorders of sexual development (DSD) genoemd. Het is een verzamelnaam voor een reeks aandoeningen, zoals het androgeen ongevoeligheid syndroom (AOS), het adrenogenitaal syndroom (AGS), de ziekte van Klinefelter of het syndroom van Swyer.

In al die gevallen heeft er bij de ontwikkeling van de geslachtskenmerken in de baarmoeder iets gemankeerd aan de chromosomen, de hormonen en/of geslachtsklieren. Van den Akker: „Elk embryo begint met een tweezijdig geslacht. De eerste twee maanden kun je niet zien of het een jongen of een meisje is. Als de chromosomen, de hormonen en de geslachtsklieren normaal functioneren, ontwikkelt het embryo zich in de richting van een jongen of een meisje. Bij jongens gaan de geslachtsklieren, die teelballen of testis worden genoemd, mannelijk hormoon (testosteron) maken. Testosteron zorg voor een uitwendige vermannelijking. Bij meisjes gaan de geslachtsklieren (eierstokken/ovaria) vrouwelijk hormoon maken (oestrogenen).”

Maar er zijn ongeboren baby’s met XX-chromosomen (vrouwelijke chromosomen) die tijdens hun ontwikkeling ‘vermannelijken’ en baby’s met XY-chromosomen die ‘vervrouwelijken’. Er zijn ook kinderen die worden geboren met XX-cellen én XY-cellen, of met XXY- of XXXY-cellen.

Om bij een onduidelijke geslachtsontwikkeling te kunnen bepalen welk geslacht bij de baby hoort, is de deskundigheid van een gespecialiseerd team vereist. Het Erasmus MC heeft zo’n team. „In zo’n situatie is meestal meer onderzoek nodig om het geslacht te kunnen bepalen. Het komt ook voor dat we die beslissing uitstellen, of dat later, als het kind opgroeit, toch een andere keuze wordt gemaakt.”

Transseksualiteit en genderdysforie zijn niet hetzelfde als DSD. Van den Akker: „Bij genderdysforie heeft iemand een onprettig gevoel bij het biologische geslacht. Genderdysforie gaat vaak samen met de wens van het andere geslacht te willen zijn. De meest extreme vorm bestaat bij transseksuelen die hun lichaam laten veranderen.” Transseksuelen worden behandeld in speciale gendercentra in Amsterdam, Groningen en Leiden.