Iedereen vrij, gelijk en blij

Een jaren zeventig interieur Foto Spaarnestad

Thomas Borstelmann: The 1970s. A new global history from civil rights to economic inequality. Princeton University Press, 401 blz. € 30,-

De jaren zeventig hebben geen beste reputatie. De kleuren waren overwegend geel, oranje en bruin. Mannen én vrouwen (zoals bleek uit één van de grootste filmhits van die jaren, ‘Deep Throat’) lieten het haar overal groeien. Schreeuwende stropdassen hingen boven wijde terlenka broeken. ‘Slecht haar, slechte kleren, slechte muziek’, vatte de Amerikaanse schrijver Joe Queenan dit treurige decennium eens samen, ‘slechte architectuur, slechte boeken, slechte economie, slecht behang, slechte stoffen en een hele hoop slechte ideeën’.

En het kon nog erger. De economie kwam tot stilstand. Inflatie en stagnatie maakten een einde aan wat de Fransen de Trente Glorieuses noemen: de dertig naoorlogse jaren van onafgebroken economische groei. De olieprijzen stegen explosief. ‘De Saoedi’s hebben ons bij de ballen’, liet de Amerikaanse president Gerald Ford zich ontvallen. Fabrieken sloten. De werkloosheid liep op. De blanke arbeider en kostverdiener – icoon van de moderne industriële samenleving – verdween. Binnensteden verloederden. Vlak voordat New York failliet dreigde te gaan, werd het nog fors geplunderd (tijdens de black-out van juli 1977).

Kortom, de jaren zeventig waren lelijk en deprimerend, een somber intermezzo tussen die jolige jaren zestig en die dynamische jaren tachtig, en wat daarop volgde. Historici hebben het decennium overeenkomstig behandeld – stiefmoederlijk dus. Maar dat is de laatste jaren veranderd.

Herontdekken

De jaren zeventig zijn herontdekt en ze worden opnieuw geïnterpreteerd. In The 1970s verwoordt de Amerikaanse historicus Thomas Borstelmann de recente consensus: de jaren zeventig waren een schakelmoment in de naoorlogse geschiedenis, een decennium van dramatische kentering en ingrijpende aanpassing. De gelijktijdige verbreiding van twee fundamentele en deels tegenstrijdige overtuigingen, het gelijkheidsideaal en het vrije marktdenken, zouden Amerika en de rest van de wereld veranderen.

Borstelmann is net als schrijver dezes volwassen geworden in de jaren zeventig. Hij beschrijft de wereld van onze jeugd op een toegankelijke en innemende manier, zonder opgelegde ironie of cynisme. The 1970s is een leuk en leerzaam boek. Het mag dan niet gemakkelijk zijn geweest, opgroeien in de jaren zeventig, maar met Borstelmann weten we dat het niet voor niets is geweest. Naamloos tussen babyboomers en yuppen overbrugde de generatie van de jaren zeventig de oude en de nieuwe wereld.

Man en vrouw, blank en gekleurd, Joods en niet-Joods, hetero en homo en zelfs mens en dier – alles en iedereen werd gelijk, zo niet altijd in de werkelijkheid dan toch op papier, voor de wet. Traditionele, vaak hiërarchische scheidslijnen vielen weg. Opvattingen die nog niet zoveel eerder normaal of zelfs bindend (want door God geboden) werden geacht, waren nu al snel onaanvaardbaar, verwerpelijk en soms zelfs onwettig. Vrouwen bleken helemaal niet ondergeschikt aan mannen, en zwarten niet aan blanken.

De enige kleur die er in Amerika uiteindelijk nog toe zou doen, zo werd toen al geconcludeerd, was groen, de kleur van de dollar. Het was een voorbarige conclusie, maar één met voorspellende waarde.

Amerikanen en, met enige vertraging, Europeanen werden gelijker, vrijer en individualistischer. De jaren zeventig waren een tijd van zelfexpressie, concludeert Borstelmann, maar bepaald niet van zelfbeperking. De taal werd ruiger. De moraal werd losser. De cultuur werd obscener. In die tijd werd het voorwerk verricht voor wat de romanschrijver Tom Wolfe later de fuck patois noemde: het ongebreidelde, onvermijdelijke gebruik van het woord fuck, als zelfstandig naamwoord, als bijvoeglijk naamwoord, als bijwoord, als uitroep, en natuurlijk als werkwoord.

Overheid

Amerika, is Borstelmanns stelling, werd tezelfdertijd gelijker en ongelijker. Het nieuwe individualisme, in combinatie met een economische crisis en een groeiend wantrouwen tegen de overheid (in augustus 1974 trad president Nixon af om impeachment voor te zijn) sterkten de Amerikanen in de overtuiging dat alleen de vrije markt het antwoord bood op de maatschappelijke problemen van die tijd. De overheid trok zich steeds meer terug uit het sociale en economische leven. ‘De overheid is niet de oplossing voor onze problemen’, merkte Ronald Reagan op in zijn inaugurele rede in januari 1981, ‘de overheid ís het probleem.’

Privatisering, deregulering en liberalisering zijn dus net zo jaren zeventig als disco, wijde broeken en plateauzolen, alleen hielden ze veel langer stand, in feite tot aan de kredietcrisis van 2008. Maar terwijl de aanpassing van de verzorgingsstaat in Amerika dikwijls met instemming (en onopgemerkte berusting wellicht) werd ontvangen, zou ze in West-Europa op brede weerstand stuiten.

Thomas Borstelmann belooft ons een mondiale geschiedenis van de jaren zeventig. Dat maakt hij niet helemaal waar. The 1970s gaat vooral over Amerika en over de invloed van internationale veranderingen op Amerika. De combinatie van marktdenken en gelijkheidsdenken heeft echter niet alleen de Verenigde Staten veranderd, maar met een zekere vertraging ook Europa en uiteindelijk de rest van de wereld.

Tony Judt typeert in Postwar, zijn geschiedenis van het continent, de jaren zeventig als het ‘meest deprimerende decennium’ van de 20ste eeuw – ‘een tijdperk van cynisme, verloren illusies en beperkte verwachtingen’. Ze staan er in Europa nog slechter op dan in Amerika. Dat komt waarschijnlijk omdat bij ons de jaren zeventig wel worden geassocieerd met de problemen maar niet met de veranderingen die Borstelmann beschrijft. De aanpassing aan de nieuwe tijd zou zich in Europa pas in de jaren tachtig voltrekken.