Het geluk van de geloofwaardigheid

Heeft kunst een rol in het zoeken naar geluk? Zo ja, heeft literatuur daar nog een maatgevendaandeel in? Antwoorden van Willem Jan Otten.

Marc Reugebrink: Het geluk van de kunst. De Bezige Bij Antwerpen, 216 blz. € 19,95

Toen dit boek nog ongelezen was, lag het te neuriën op mijn werktafel. Een essay over geluk, geschreven door een dichter van even in de vijftig – verrassend! Het is, herinner ik me, geen sinecure om de vijftig te passeren. Natuurlijk – als je niets onder de leden hebt, dicht je jezelf nog een kloeke tijdsspanne toe waarin je onvermoed werk zult produceren. Je zult ze nog een poepertje laten ruiken, heus. Maar het geschrevene – dat is toch echt alles wat je in de bloei van je leven geschreven hebt. Was het overtuigend? Geloofwaardig? Kun je ermee leven? Moet je je leven veranderen?

Dat iemand tijdens deze passage over ‘geluk’ zou schrijven, maakte nieuwsgierig. Temeer daar de auteur, Marc Reugebrink, niet bekend staat als een zonnetje in huis. In zijn belangrijkste essays (opgenomen in dit boek) gaat het over literatuur na Auschwitz, over poëzie en dood, over enkele schrijvers die hun oeuvre hebben afgerond met een zelfmoord. Reugebrink is een aandachtig lezer van Kouwenaar en Faverey – wier gedichten een ontledigende uitwerking hebben op de lezer. In deze ‘mystiek zonder God’ lijkt de notie ‘geluk’ simpelweg buiten de orde te zijn; en Reugebrink heeft zelf eerder een begrip als ‘rust’ ingezet om te begrijpen wat zulke poëzie, die zich naar de drempel van de dood beweegt, teweegbrengt. In zijn stuk ‘In zwijgen vervallen’ herinnert hij zich hoe hij in 1983, hij was tweeëntwintig, ondervond dat schrijven voor hem gelijk staat aan tot je door laten dringen wat de dood betekent: toen stierf zijn vader.

De beste stukken in dit boek zijn sterfelijkheidsessays. Het bestaan biedt geen zekerheden, zegt Reugebrink bij herhaling, ‘maar het feit dat in het leven geen zekerheden bestaan, krijgt in en door het werk iets van een zekerheid. En het is een zekerheid die de auteur op het moment van schrijven rust schenkt.’ Het gaat hier over Cesare Pavese. ‘Het is tot rust gebrachte onrust’.

Inmiddels heb ik Het geluk van de kunst gelezen, en weet ik dat het niet of nauwelijks gaat over scheppersgeluk – als je daarbij denkt aan een poging om op essayistische wijze de lezer deelgenoot te maken van de vreugde die dertig jaar literatuur scheppen met zich mee gebracht zou kunnen hebben. Ik begreep dat mijn verwachting naïef was geweest. Over de verrukkingen van het maken, de opwinding van opgaan in fictie, de wiekslag der verbeelding, gaat het niet.

Literatuur gaat, integendeel, over mislukken. Niet zomaar, maar existentieel, om een woord uit Reugebrinks register te nemen.

Hij is niet bang voor grote woorden. Hij aarzelt niet om de moderne, humanistische literatuur waar hij zich zelf toe bekent, in navolging van filosoof Sloterdijk ‘een voortdurende strijd om de mens’ te noemen.

We kunnen de grote woorden wel afschaffen, schreef Frans Kellendonk, maar niet het verlangen waar ze uit bestaan. Reugebrink brengt een afgeschaft groot woord in stelling: het menselijk tekort.

Over dit verlangen kunnen we ons, geloof ik, niet genoeg verbazen. Mensen hebben te beseffen dat ze eindig zijn, ze moeten door de vrees voor de bewusteloze leegte die hen omringt heen, ze zijn onkenbaar voor zich zelf, hun dierbaren verdwijnen in een afgrond, ze zijn getuigen, al dan niet aan den lijve, van zinloze vernietiging. Toch blijven ze willen weten en ervaren wie ze zijn. Reugebrink noemt zich areligieus, maar gelooft in de literatuur – als in een ruimte waar ons bestaan betekenisvol wordt. Niet dat zij zekere kennis verschaft. Als we ‘dood’ denken, dan leven we hevig, als we ‘niets’ denken dan is er ‘iets’, als we ons zelf niet kennen, dan noemen we dat zelfkennis, als een dierbare dood en begraven is, denken we haar levend.

‘We kunnen deze dingen niet definiëren zonder ze onbegrijpelijk te maken’, zegt Pascal over geloofsbegrippen, maar ook kunst brengt ons geen zekere, vaste definities. We zijn mens: al beseffende, ongeveer zoals koning Lear pas beseft wie zijn liefste dochter is als zij gestorven op zijn schoot ligt en het veertje dat hij op haar mond legt niet meer omhoog blaast. Reugebrink zegt het in zijn stukken over poëzie (die het hart van het boek uitmaken) anders, maar als ik hem goed begrijp is zijn mensbeeld verwant aan een andere befaamde zinsnede van Pascal: ‘Al zou het hele heelal de mens verpletteren, dan zou hij altijd nog edeler zijn dan dat wat hem doodt, omdat hij weet dat hij sterft en dat het heelal hem de baas is.’ (Vertaling Frank de Graaff)

Omdat hij weet dat hij sterft: in dit boek vertelt Reugebrink dat literatuur zijn lotsbestemming is omdat zij dit ‘weten’ vorm geeft. Schrijvers als Pavese, Améry, Kertesz, Kouwenaar, Faverey hebben hem deze lotsbestemming leren onderkennen. Het woord ‘edel’ zal hij niet snel in de mond nemen – maar je ontkomt niet aan de indruk dat Reugebrink het face reality van zijn voorbeelden heldhaftig vindt. Toch dankt het boek zijn titel aan Pavese, die in 1947 in zijn dagboek schrijft: ‘Geluk van de kunst: merken dat een eigen manier van leven de wet kan zijn waarnaar een wijze van uitdrukken zich richt’.

Dit zijn geen noties waar de boekenbranche om zit te springen. Toch heeft Reugebrink in 2007, tot zijn eigen verbijstering, met zijn roman Het grote uitstel één van de drie grote commerciële literatuurprijzen gewonnen: de Gouden Uil. Hij, die zich volgens dienstdoende critici moest schamen dat hij ‘als marginaal B-auteur’ überhaupt genomineerd was ‘won’ tijdens een ‘hilarisch’ televisiespektakel de prijs – ‘van’ ondermeer A.F.Th. van der Heijden, Jeroen Brouwers, P.F. Thomése.

Reugebrink komt in het openingsstuk, ‘Het geluk van de prijs’, manhaftig en ironisch zijn marginaliteit onder ogen (‘ik vergis me zelden of nooit in mijn eigen hoedanigheid’) en knoopt daar, in de daaropvolgende essays een vertoog aan vast waarin hij zich afvraagt hoe het komt dat ‘de’ literatuur zo marginaal is geworden. ‘De vrijplaats die literatuur diende te zijn was nooit bedoeld als het reservaat dat het nu is geworden’.

Reugebrink beschrijft de hertenkamp die de Nederlandse literatuur wat hem betreft geworden is zó, dat je, als lezende collega, weet: dit gaat over mij. En je sympathiseert met hem: zal het hem lukken je te laten delen in de droom van een ándere mogelijkheid – van een klimaat waarin je wel met je werk, je literatuur, een centrale positie inneemt?

Een woord dat hier valt is ‘gezag’. Reugebrink vraagt zich af hoe het komt dat ‘de’ literatuur haar gezag is verloren. (Hij is een fervent bepalend lidwoord-gebruiker.) Dat wordt steeds vaker geopperd in het publieke debat, in discussies over de politici, de rechterlijke macht, de medische stand.

In de jaren zestig en zeventig was het juist de bedoeling om gezagsdragers te ondermijnen. Kennelijk vragen we ons thans af of we wel zonder gezag kunnen – de ondermijning is gelukt. De vrijheid waarin we zijn komen te staan is, zegt Reugebrink, ‘grenzeloos’. Hij legt de oorzaak hiervan bij de commerciële anything goes-cultuur die na de Wende van 1989 aan zijn wildgroei kon beginnen, toen het vrije markt denken ‘gewonnen’ had. Maar hij vraagt zich ook af of het niet ook de (twintigste-eeuwse) literatuur zelf is geweest die van zich zelf een subcultuur heeft gemaakt. Door, zoals in Nederland in Reugebrinks ogen sterk het geval is geweest, te verliteraturen, en zich niets aan postmodernistische theorievorming gelegen te laten liggen. Maar in wijder verband: door de mens ‘steeds vaker gaan definiëren als wat zij niet was.’ Niet gelovend in een God, niet gehoorzamend aan overgeleverde waarden, niet gedreven door iets anders dan seksuele begeerte, enzovoort. Zij is, kortom, haar gezag kwijt geraakt ‘omdat haar in de kritische houding tegenover mensbeelden louter een kwestie van negativiteit was’.

Interessante gedachtegang – maar het leidt tot een zwiepend soort essayistiek waar je weliswaar instemmend bij kunt knikken, maar die je je doet afvragen: is dit dan dus het gezaghebbende gedenk waar hij op doelt? Als je in de andere essays van Reugebrink leest hoe ‘zijn’ schrijvers zich onledig hebben gehouden met het wegschrijven van zich zelf, en hoe hij komt tot een literatuurbelijdenis die zegt ‘dat er geen zekerheden bestaan’ en dat dat ‘door het werk iets van een zekerheid krijgt’, dan vraag je je af: kán ‘zijn’ literatuur wel centraal zijn, gezaghebbend, het tegendeel van marginaal?

Als een kunstenaar iets anders wil zijn dan een ontmantelaar van (autoritaire) opvattingen tot op het punt dat anything goes, zal hij, wellicht tot zijn eigen verbazing, ontdekken dat hij van zichzelf begint te verlangen dat hij wél ergens van overtuigd is. De strijd om de mens is de strijd om een niet gerealiseerde, gedroomde gestalte.

Dat geldt ook voor de mensopvatting die zegt dat de mens bestaat bij de gratie van maar één zekerheid, en wel dat alles onzeker is. Reugebrink spreekt deze belijdenis herhaalde malen uit, en je leest zijn boek om van binnen uit mee te maken waartoe deze overtuiging hem verplicht, in een wereld waarin, volgens zijn zeggen, de mens gereduceerd is ‘tot een economische eenheid’.

‘Ik ben een mens godverdomme. Mijn leven heeft waarde. Vager kan het niet. Het lijkt pathetisch ook. Alweer. Maar het verwoordt precies wat ik ’s ochtends tegen mijn krant en tegen de wereld zou willen roepen’, schrijft hij in het hoofdstuk waarin hij onder meer het effectiviteitsdenken in het onderwijs op de korrel neemt. We leiden onze kinderen op om iets op te brengen, niet om waarden te belichamen. Hij citeert de Belgische hoogleraar Paul Verhaeghe, die stelt dat ‘jongeren zichzelf moeten beschouwen als een bedrijf, waarbij vaardigheden een economisch belang hebben ter verhoging van hun marktwaarde’. Bijgebracht wordt een houding ‘waarbij men zich richt op wat voorhanden is, en niet op wat er daarnaast nog zou kunnen of moeten zijn’.

Het is niet moeilijk om met Reugebrink te sympathiseren – al raad ik eenieder die zijn woede over het heersende onderwijs deelt aan om bijvoorbeeld Aleid Truijens’ columns in de Volkskrant te lezen. Dit type aanklacht wint aan kracht als het geïnformeerd wordt door concretere voorbeelden. Reugebrinks essayistiek neigt naar het globale, niet zelden vervalt hij in de wij-vorm, als stond hij op een verdwaalde preekstoel. ‘Wij hebben geen leidende rol’.

Hij heeft het herhaaldelijk over zijn grote ‘woede’, maar er wordt niet uitgesproken veel aan den lijve ondervonden. Het ge-wij maakt dat je als lezer steeds minder aangesproken voelt. Zelfs in de autobiografische stukken, waarin hij de genealogie van zijn linkse maatschappijvisie nagaat, uitgaande van zijn socialistische grootvader, wordt het niet persoonlijk.

Reugebrink is een voorbeeld van iemand die het geloof van zijn vaderen ononderbroken trouw is kunnen blijven. Ook daardoor blijft zijn ‘zekerheid dat alles onzeker is’ op een essentiële manier onbeproefd, en, als het er op aankomt, een abstractie. Misschien dat hij daarom kan schuilen in zinnen als: ‘het is een paradox die tautologie wordt, en als tautologie paradoxaal blijft’.

Daarom zijn, nogmaals, de stukken waarin hij het werk van schrijvers, één schrijver, onder handen neemt de lezenswaardigste. Een gedicht van Zbigniew Herbert, bezorgt hem een ervaring van realiteit die het ware essayistische in hem wakker kust – gravend, zelfonderzoekend denken. Ik vind hem daar stilistisch ook sterker.

Dat maakt het lezen van dit boek als één geheel ambivalent – want het gezag dat hij met zijn sterfelijkheidsessays aandachtige stukken opbouwt is juist geen gezag. Daar is hij een gids, die het gebied nog niet kent waar hij mij, op dat moment zijn enige lezer, in leidt. Hij voert mij werkenderwijs naar iets dat ik al vermoed zonder het te begrijpen: het ‘zekere’ besef van onzekerheid waar de mens in staat, wordt gedragen door een verlangen naar zekerheid.

Naar een geloof.

Daarom zit ik er nogal mee, met het onzekerheidscredo waarop Reugebrink zijn terugkeer van de literatuur in het hart van het publieke domein op fundeert. Ik kan er mee lezen, maar niet mee leven.