Fijn knallen met vorst en vorstin

De adel wordt armer en sympathieker: erfgoed beheren is duur, de baron klust soms bij als campinghouder, blijkt uit een fraaie 250 jaar omvattende studie.

Ileen Montijn: Hoog geboren. 250 jaar Adellijk leven in Nederland. Contact, 440 blz. € 24,95

‘Adel heeft in Nederland niets om het lijf.’ Zo opent Hoog geboren, Ileen Montijns boek over 250 jaar adellijk leven in ons vaderland. Het tegenwoordige Nederland telt nog ongeveer driehonderd adellijke geslachten, bestaande uit meer dan 11.000 telgen. Graven, baronnen, jonkheren en hun -innen, -essen, -vrouwen, freules en douarières. Betekenen ze inderdaad niets meer?

Montijn noteerde de uitspraak uit de mond van iemand die zelf in Nederland’s Adelsboek figureert, en volgens adellijke mores is getrouwd met een barones die even lange adelwortels heeft als de zijne, uit dezelfde streek komt en dezelfde religie belijdt. Zijn adelstitel mag dan voor haar zegsman niets betekenen, voor het gros gaat het niet op. ‘Adel is onderscheid,’ zegt Montijn. Ideeën en gewoontes die bij adeldom horen leven al dan niet openlijk voort. Hoe dan? De laatste vraag wordt in Hoog geboren tot op het bot beantwoord, in ruim 400 bijzonder genuanceerde pagina’s.

Vijf op de tienduizend Nederlanders is van adel: een half promille. In 2011 telde de Volkskrant-lijst onder de tweehonderd invloedrijkste Nederlanders vier adellijke namen: twee procent. Je zou dus zeggen dat de adel in verhouding nog steeds veel macht heeft. Waar hebben ze dat aan te danken? Blauw bloed? Dat is een fabeltje, en een adels-gen is tot op heden niet gevonden. Wie van adel is en wie niet weten we intussen wel: lees Nederland’s Adelsboek. De Van Nispen tot Sevenaers, de Hövell tot Westervlier en Wezevelds, de Heeckeren van Molecatens, de Schimmelpenninck van der Oyes en al die anderen. Al is het Adelsboek nu ook weer niet zaligmakend, getuige de problemen die de van oorsprong niet-adellijke Ploos van Amstel ondervond. Deze familie kreeg in 1636 van Stadhouder Frederik Hendrik de erkenning dat ze afstamden van het oude adelsgeslacht Amstel van Mijnden, maar toen ze dit onder Koning Willem III nogmaals bevestigd wilden krijgen, bleek de stamboom te rammelen. Ze werden alsnog tot de adel gerekend, dat wel. Cadeautje van de koning. Mooie zo niet komische verwikkelingen aan wat Montijn ‘de rafelranden van de adel’ noemt. August Strindberg zou er in zijn roman De Gotische kamers (1904) een hilarische, Zweedse variant van beschrijven.

Verheven

Er is oude adel, er is nieuwe. De eerste is geboren, de tweede is er toe ‘verheven’ – met jonkheer als titel. Met name Koning Willem I breidde op deze manier de adelstand uit met een brede onderlaag. In zijn eigen hofhouding zag hij overigens het liefst oude adel, want onderscheid moet er blijven. Zo zal ook geen graaf Van Wassenaer vergeten dat hun familie oudere adel betreft dan de Nassaus. Zoiets roept natuurlijk óók opgetrokken wenkbrauwen op, en kritiek. ‘De adellijken trots op verre voorouders, zelfs op de verdiensten van hen, is zeer kinderachtig en dom,’ zei de Duitse schrijver Jean Paul al in 1783. ‘Een edelman staat zich liever voor op afstamming van zestien adellijke struikrovers, echtbrekers en zuiplappen, dan van twee dozijn eerlijke burgers.’ Ook de eerste hoofdstukken van Willem Kists Het leven, gevoelens en zonderlinge reize van den landjonker Govert Hendrik Godefroi van Blankenheim tot den Stronk (1800) zijn in die geest: ‘Van Blankenheim was welluidendheidshalve achter den naam Godefroi geplaatst na reeds een hele reeks van nakomelingen van Derk Godefroi (bijgenaamd de Hakkelaar), die als rijknecht zijn meester naar het Heilig Land was gevolgd.’ Laten we zeggen dat ‘edele’ eigenschappen van de adel zich niet noodzakelijkerwijs in elke telg manifesteren, noch in voor-, noch in nageslacht.

Dat we met een bevoorrechte klasse te maken hebben is intussen duidelijk. In de patriottentijd moest men ‘duiken’ – de Franse revolutie had vele adellijken letterlijk de kop gekost –, maar daarvoor en daarna heeft men de vruchten kunnen plukken, tot op de dag van vandaag. De democratisering van de jaren zestig van de 20ste eeuw heeft daaraan uiteraard niet meegewerkt. De adel is dan ook decennia lang ‘weggekropen’ – Van Tuyll van Serooskerken werd ‘meneer Van Tuyl’. Er is wel een revival gaande en van adel zijn mág weer. Misschien ook omdat men het zichtbaar moeilijk heeft het familiegoed te bekostigen – bouwvallige landhuizen, lekkende kasteeldaken. Een edelman als boer of campinghouder op zijn domein is geen uitzondering meer. Zoiets vertedert. Het zijn ook hoeders van erfgoed, en al lang niet meer uitsluitend het hunne.

Ileen Montijn voert ons door de bonte wereld van de adel, die bijzonder veel om het lijf blijkt te hebben. Ze doet dat aan de hand van een keur aan literatuur en vele persoonlijke interviews. Huwelijkse banden, trouwfeesten, sport, geloof, liefdewerk en dienstbaarheid, huispersoneel, winterwoning versus landhuis voor de zomer, de rol van de kostschool (of gouvernante), de macht van de rentmeester, homoseksualiteit, zelfbeheersing, verhouding tot het koninklijk hof, overerving, militaire eer, duelleren, hoe men zich hoe men zich heurt te gedragen en kleden.

Ons kent ons

Hoog geboren is een gravende studie over de Nederlandse adel, zeer aangenaam geschreven, verbijsterend geïnformeerd en erudiet. We moeten niet vergeten dat de ons-kent-ons-cirkel van de adel tamelijk gesloten is als men niet zelf ‘van ons’ is. Nu heeft Ileen Montijn ons al eerder verbaasd door haar fraaie historische werken over interieurs, landhuizen en patriciaat, en waarschijnlijk heeft dat haar geholpen om al die bejaarde freules, baronnen en douarières aan de praat te krijgen over ‘ons’ van vroeger en nu.

Laten we eerlijk zijn: adel spreekt tot de verbeelding. Wie wil geen landheer zijn? De droom van butlers en rentmeesters in huis, tochtjes met koetsen, door vader of oom tot cultuur of de hoeren te worden gebracht, kunst aankopen, op jacht ‘lekker knallen’ met vorst of vorstin van Oranje… Of misschien nog liever: het zwarte schaap van de familie kunnen spelen, dat men nóóit echt laat vallen omdat men ‘van ons’ is?

Al die beelden roept Ileen Montijn op, zonder ook maar één moment negatief of suggestief te worden. Haar Hoog geboren is een imponerend, maar vooral genuanceerd sociologisch boek over een belangrijke en machtige splintergroep in onze samenleving. Het is een studie die men, mocht het in een rijtuig passeren, eerbiedig groet. Met de pet in de hand.