Denkend aan moslims en kortgerokte Turkse vrouwen

Op de lange weg naar het oosten van Zuid-Afrika is er heel wat te bepraten. Ik ben al drie jaar weg uit Johannesburg, hij is gebleven. Op de achterbank kwetteren onze dochters over verloren melktanden, toverfeeën en het woelige liefdesleven van Assepoester. Op de voorste stoelen nemen hun vaders de staat van hun standplaatsen door.

Zuid-Afrika is wel wat veranderd in de tussentijd. Johannesburg en Pretoria zijn dichter naar elkaar gegroeid met industrieterreinen en nieuwbouwwijken. Er zoeft een metrotrein boven de snelweg en halverwege in Midrand wordt een gigantische moskee gebouwd. Door Turken. Elders bouwen andere Turken scholen en mijn vliegtuig zat vol met ondernemers uit Istanbul die in Afrika een interessante groeimarkt zien.

De Turken zijn niet langer de bedelaar van Europa maar veroveren de wereld, doceer ik mijn collega op geïnformeerde correspondententoon. „En toch”, voeg ik toe, zijn er ook verhalen over de burgemeester van Afyonkarahisar die de verkoop van alcohol in zijn dorp heeft verboden. En een vader in Zuid-Turkije die zijn twaalfjarige dochter heeft verkocht. „Poehpoeh”, klinkt het op de bestuurdersstoel, wat moet een correspondent daar nu toch van maken? Waar gaat het heen met die 75 miljoen Turken, meest moslims?

Mijn oud-collega heeft ook nieuws. Zijn vrouw is een vooraanstaande aanklager in Johannesburg. Haar meest recente zaak is breed uitgemeten in de Zuid-Afrikaanse pers. Ze vervolgt een aantal mannen die de groepsverkrachting van een 17 jaar oud geestelijk gehandicapt meisje op video vastlegden. De video heeft het debat doen oplaaien waar het heengaat met dit land van 50 miljoen Afrikanen, meest christenen. Wat moet een correspondent daar nu toch van maken?

We rijden door naar het oosten. De lucht wordt vochtiger, de begroeiing dichter. We naderen de subtropen van Mozambique. We besluiten de nacht door te brengen op de camping aan de rand van het dorpje Sabie.

De eigenaar heeft grote rollen prikkeldraad om het veldje gelegd, om zijn gasten tegen de boze buitenwereld te beschermen. Daarachter staan tent voor tent buikige Afrikaners vlees te braaien. Geen zwarte te bekennen. Zo ken ik mijn oude Zuid-Afrika weer.

Aan ons eigen braaivuur vertelt de collega over zijn herinneringen aan Turken. „Turken zijn harig”, weet hij, en hun vrouwen dragen hoofddoeken en grote winkeltassen. Meestal lopen ze meters achter hun mannen aan. Zo herinnerde hij het zich uit de buitenwijk van het Duitse Bielefeld, thuis van duizenden Turkse migranten, waar hij een tijdje als student woonde.

Ik verhaal over mijn Turkije, de feesten in Istanbul aan de Bosporus, vol hooggehakte en kortgerokte dames. De collega knikt vol ongeloof.

Op de camping gaan de kranen aan voor de afwas. Ik stapel de vieze pannen en borden, steek een borstel in de broekzak, en begin de klim naar de wasruimte. Het Afrikaner gezelschap dat zich luidruchtig om de wastafel heeft genesteld, valt ineens muisstil. Op deze camping doen mannen de afwas niet. Echte Afrikaner mannen kijken toe. Zo was het eeuwen geleden bij de calvinistische Voortrekkers die met os en wagen het continent binnentrokken. Zo is het nog.

Daar boven op de heuvels rond Sabie denk ik aan Turkije en de obsessie van correspondenten met moslimconservatisme. In de zeven jaar als correspondent in Zuid-Afrika heb ik over de man-vrouwrelatie in deze christenkringen nog nooit een stuk getikt. Terwijl moeder haar armen tot de ellebogen in het sop steekt, klinken de mannen op het muurtje achter haar rug hun glazen. En dat het maar mag smaken.

Bram Vermeulen