De verhuftering van de elite begon al in de jaren tachtig

Tien jaar geleden scoorde Pim Fortuyn toen hij wilde optreden tegen de verhuftering, maar de bevolking ergerde zich dertig jaar geleden al mateloos aan hufters, betoogt Meindert Fennema.

Het begrip ‘hufter’ en de verwante begrippen ‘hufterigheid’ en ‘verhuftering’ zijn rond de eeuwwisseling doorgedrongen tot het publieke debat. Vóór 1995 kwamen deze begrippen in de kranten nauwelijks voor.

Toch is het al veel eerder, vanaf 1970, dat een toenemend aantal Nederlanders zedelijk verval waarneemt. Tussen 1960 en 1970 is slechts 40 procent van de Nederlandse bevolking van mening dat er sprake is van verval van normen en waarden. Het cultuurpessimisme neemt in de jaren tachtig en negentig evenwel plotseling toe. In 1998 is 70 procent van de Nederlanders van mening dat er sprake is van verval van normen en waarden. Daarna is het cultuurpessimisme bij de gewone Nederlander weer op de terugtocht.

Hoe komt het dat de Nederlandse bevolking dertig jaar eerder dan de opiniemakers een zedelijk verval zag? Zou dit te maken hebben met de wijsheid van de menigte?

Ik werd in 1970 aangesteld als kandidaatsassistent op het Europa Instituut, toen gehuisvest naast de ambtswoning van de burgemeester op de Herengracht in Amsterdam. Het instituut ademde een sfeer van ingetogen voornaamheid. In september 1971 had de leiding van het Europa Instituut besloten om voor de opening van het academisch jaar een beroep te doen op de bekende Europarlementariër Cees Berkhouwer, een flamboyante VVD-politicus die in Brussel opkwam voor de landbouwbelangen en daarom ‘Boerenkees’ werd genoemd. Berkhouwer had gezegd tegen degene die hem had uitgenodigd: „wat schuift dat?” Men vond dit op het Europa Instituut een hufterige reactie. Dit oordeel werd benadrukt door Berkhouwer te imiteren, in plat Haags.

Op het moment dat Cees Berkhouwer zich als hufter ontpopte, was ongemanierdheid ook elders in opkomst. Studenten, gekleed in vieze spijkerbroeken en met lang haar, verstoorden de colleges van hoogleraren. In mijn studententijd waren A.N.J. den Hollander en H. Daudt de kop van jut. Ik herinner mij nog goed hoe radicale studenten van achter uit de collegezalen tegen professor Daudt schreeuwden: „hoe weet je dat?”, of nog korter: „hoezo?”, of gewoon: „gelul!”.

In hun stijl en woordkeuze voldeden deze opstandige studenten aan het ideaal van het ‘Hufter Manifest’, dat door Bert Brussen is gepubliceerd op GeenStijl. „Hufters stellen onbehoorlijke vragen aan politici, gebruiken scheldwoorden als onrecht aan de kaak gesteld wordt en durven dingen te beweren die niet populair zijn. Tot ergernis van fatsoensterroristen, die alles bij het oude willen houden.”

In deze zin was ook Vrij Nederland-columnist Piet Grijs een grote hufter. Hij noemde prof. Buikhuisen „een kale, impotente carrièrewetenschapper”. Hij vergeleek toenmalig minister Ruding (Financiën, CDA) met SS’er Adolf Eichmann. Hij schreef een column over het laatste taboe: „de kut van de koningin”. Hij weigerde de rekening van zijn psychiater A. van Dantzig – „Van Poolse Havenstad” – te betalen, omdat hij vond dat zenuwartsen zouden moeten werken op no-cure-no-paybasis.

Hufters zijn niet beschaafd, maar hun gebrek aan manieren kan zowel economisch als cultureel geïnspireerd zijn.

De hufters verspreidden zich tussen 1970 en 1980 razendsnel. Kees van Kooten en Wim de Bie hadden een speciale partij voor hen opgericht. Een greep uit het programma van de Tegenpartij: „samen voor ons eigen” en „nergens een maximumsnelheid”. De partij van de heren F. Jacobse en Tedje van Es had zo veel succes dat zij volgens opiniepeilers bij de verkiezingen van mei 1981 een aantal zetels zouden kunnen halen in de Tweede Kamer. Bang geworden van hun eigen succes besloten Van Kooten en De Bie het duo Jacobse en Van Es vlak voor die verkiezingen tijdens een couppoging te laten neerschieten op het Binnenhof. Twintig jaar later zou een echte politicus met een echte tegenpartij ook echt worden neergeschoten vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen.

Ook socialisten openden in de jaren tachtig de geldjacht – interessant genoeg vooral een nieuwe generatie bestuurders die afkomstig was uit de studentenbeweging. In 1987 moest PvdA-Defensiespecialist Harry van den Bergh als Kamerlid aftreden wegens het met voorkennis handelen in Fokkeraandelen. Zes jaar later moest bestuurskundige prof.dr. Roel in ’t Veld (PvdA) al na negen dagen aftreden als staatssecretaris, omdat hij op briefpapier van de Erasmus Universiteit Rotterdam opdrachten binnenhaalde voor zijn eigen adviesbureau.

Bij zijn aftreden nam zowel NRC Handelsblad als de Volkskrant het voor hem op. De hoofdredactie van NRC Handelsblad haalde op 19 juni 1993 een interview met mij uit de krant. Ik zei in dat interview dat het politiek talent van Roel in ’t Veld in Italië beter tot zijn recht zou komen: „De PvdA was [vroeger] een partij van de armen, maar ook van de eerlijken. Maar net als in Italië komt ook in Nederland de scheiding tussen privé en openbaar belang steeds meer te vervallen.” Men besloot de hele oplage te vernietigen, maar de noordelijke editie was al weg. Een redacteur van de Volkskrant, Peter Giesen, schreef naar aanleiding van deze affaire een stuk onder de kop ‘In ’t Veld struikelt over ouderwets moralisme’. „Waarom moeten zulke nuttige figuren vermoeid worden met morele bezwaren tegen hoge inkomens?” Bijklussen in de baas z’n tijd moest volgens Giesen geen probleem zijn als je zoals In ’t Veld „zeker tachtig uur per week werkt”. De argumentatie van Giesen was een uitwerking van het programma van de Tegenpartij uit 1981.

In januari 2000 verklaarde toenmalig minister Peper (Binnenlandse Zaken, PvdA) dat een onderzoek naar de uitgaven die hij had gedaan als burgemeester van Rotterdam zijn privacy zou schenden. In het buitenland maakten ze zich hier vrolijk over. Die Welt kopte op 12 februari 2000: In Holland erklärt ein Minister seinen Dienst zur Privatsache. De Rotterdamse politicoloog prof. Rinus van Schendelen nam Peper in bescherming en pleitte ervoor om in het openbaar bestuur dezelfde „economenmoraal” te bezigen als in het bedrijfsleven. De overmatige declaraties van Peper zouden moeten worden afgezet tegen de verdiensten die hij heeft gehad voor Rotterdam. „Een fatsoenlijke overheid is de rampzaligste die je kunt hebben”, zo besloot hij zijn opiniestuk in de Volkskrant.

Het paradoxale van rechts-populisme is dat de maatschappelijke onvrede over de nieuwe bestuursstijl die door In ’t Veld, Peper en vele anderen in praktijk was gebracht, door Pim Fortuyn politiek kon worden geëxploiteerd. Paradoxaal, want Fortuyn zou de mentaliteit van de vrije jongens uit de jaren tachtig en negentig tot een politiek programma maken. Zijn geheim was dat hij die vrijemarktideologie weer mengde met het ouderwetse moralisme, dat volledig verdwenen leek.

Dit is een sterk verkorte versie van het afscheidscollege dat prof. Meindert Fennema vandaag houdt onder de titel ‘Help. De elite verdwijnt.’ Onder dezelfde titel verschijnt een bundel artikelen en essays bij Bert Bakker. Deze bundel wordt vandaag in deze krant besproken, in de bijlage Boeken.