De sprookjestuin van Nederland

De eerste plannen voor een landelijke bloementuin dateren van 1949. Daarna kwam de Keukenhof. Oerhollands, en natuurlijk ook een beetje tuttig. Maar elk voorjaar trekt de tuin honderdduizenden bezoekers. Nu is er een boek over hoe het begon.

Bij de eerste plannen voor de Keukenhof, eind jaren 40, was er verzet in kringen van bollenboeren. Men sprak van „prettuinen” en „stoeibosjes”. Foto The Travel Library / Rex Features Ltd.

Mijn grootouders uit de streek van Lisse en Sassenheim zaten „in de bollen”. Een tante van mij werkte achter de kassa van de Keukenhof in Lisse. Het bollenpellen, optuigen van de praalwagens voor het fameuze Bloemencorso en vooral het versieren van onze eigen Fiat 600 met een slinger van tulpen of narcissen waren allemaal gebeurtenissen die nauw samenhingen met de bollen en de Keukenhof.

Mijn grootvader van moederszijde was de knecht van een bollenboer. Vanuit het huis aan de Zandslootkade in Sassenheim toog hij elke dag het land op. Ik herinner me leren kappen op zijn knieën. En dan is er elk voorjaar dat magische moment: grauwe, vlakke velden veranderen in een weelde van rood, geel, paars, wit, blauw.

Het schilderij vol kleurenweelde dat de Bloembollenstreek heet, beslaat 3.316 hectare. In het hart hiervan ligt het kroonjuweel van de streek, de Keukenhof. Nog tot ver in de zestiende en zeventiende eeuw lag hier een wildernis van zandduinen. Na afgraving van de duinen ontstonden hier de geestgronden die de rijke voedingsbodem vormen van de talloze miljoenen bloemen, strak geordend in het veld.

Het boek De Keukenhof Holland. Van Keukenduin tot Lentetuin door tuinbouwkenner Maarten Timmer en Arie Dwarswaard, vakredacteur van BloembollenVisie, geeft een historisch overzicht van de groei en bloei van de Keukenhof, vanaf de oprichting in 1949, de eerste Nationale Bloemententoonstelling een jaar later en verder.

Voordat de bloementuin Keukenhof bestond, lag hier in de vijftiende eeuw het park van Kasteel Keukenhof waar gravin Jacoba van Beieren, woonachtig in het nabijgelegen Slot Teylingen, de kruiden voor haar tuin haalde. Van oudsher is de streek ten zuiden van Haarlem met zijn kloostertuinen en particuliere bezittingen rijk aan kruiden- en moestuinen.

Tulpen golden al sinds het eind van de zestiende eeuw als exotische prachtbloemen, geliefd bij de aristocratie die in tuinen kostbare bolgewassen plantte. Steeds hoger gingen de prijzen, totdat in 1636-1637 de windhandel in tulpen, de zogenaamde Tulpenmania, de markt in een keer in elkaar deed vallen. Voor de telers op de strandwal ter hoogte van Lisse was dit de kans om op individuele wijze de gewassen te kweken.

Het tentoonstellen van sierbloemen in lusttuinen en het kweken van nieuwe variëteiten behoort onlosmakelijk bij de bloembollencultuur. De ‘bloemlust’ van de Hollandse telers en bloemisten was tot in verre landen, waaronder Canada en Noord-Amerika, een wijdverbreid fenomeen.

Dat er een tuin moest komen was al lange tijd een diepe wens. In 1910 vond in Bloemenstad Haarlem een Nationale Bloemententoonstelling plaats, gevolgd door de Internationale Voorjaarsbloemententoonstelling in Heemstede. Eind van de jaren veertig begonnen er in de gemeente Lisse serieuze plannen te ontstaan voor de oprichting van een landelijke bloementuin zonder weerga, de Keukenhof.

De historische datum is 1 januari 1949: de burgemeester van Lisse ontvouwt het plan om op de Keukenhof een „openluchttentoonstelling voor bloembollen te organiseren”. Minutieus schetsen de auteurs in ‘Keukenhof Holland’ de in bestuurlijk opzicht vaak moeizame ontstaansgeschiedenis van de Keukenhof. Ideeën strookten niet altijd met elkaar.

In kringen van bollenboeren was er ook nadrukkelijk verzet tegen de nieuwe vormen van recreatie die na de oorlog in een steeds dichtbevolkter Nederland opgeld doen, men spreekt afkeurend van „prettuinen” en „stoeibosjes”. Toch wint het verlangen om het bloeiende bloembollenschoon te exposeren het van alle tegenwerking.

Van oudsher is er een band geweest tussen de Keukenhof en het Koninklijk Huis. Koningin Juliana en later koningin Beatrix waren hooggeplaatste gasten. Keukenhof heeft altijd veel moeite gedaan via de hoogste kringen bekendheid te genereren: buitenlandse vorstinnen doopten nieuwe, veredelde bloemsoorten. In de jaren zestig werkte Keukenhof samen met de Holland-Amerika Lijn en de KLM om bloemenmeisjes met hun rieten manden vol kostbare bloemen naar de overzijde van de oceaan uit te zenden om reclame te maken. De tulpenmeisjes gaven zelfs interviews voor televisieshows. Ze droegen witte kapjes, klokkende jurken en hooggehakte witte schoenen. Ze leken zelf wel op bloemen. Dat was ook de bedoeling.

Deze inspanningen werden beloond met zo’n achthonderdduizend bezoekers per jaar. Voor veel Nederlanders heeft de Keukenhof ook iets heel erg oer-Hollands met de molen, de weelderige perken met narcissen, tulpen en hyacinten. Dat beeld is begrijpelijk. Keukenhof zet juist in op deze door en door Nederlandse symbolen. Daar is uiteindelijk niets op tegen, al zal de Keukenhof voor veel mensen ook iets tuttigs hebben.

Toch heeft deze ‘Sprookjestuin van Nederland’, zoals het affiche uit 1952 aangeeft, elke voorjaarsmaand weer volop bestaansrecht. Ga eens kijken, voor de eerste, of de zoveelste keer. De bollen staan er kleurrijk bij. Het lijkt vanzelfsprekend. Dat is het niet. Deze bloemenweelde is gewonnen op een wildernis van duinzand en veengrond.

Maarten Timmer met medewerking van Arie Dwarswaard: ‘Keukenhof Holland. Van Keukenduin tot Lentetuin’. De wordingsgeschiedenis van Internationale Bloemententoonstelling Keukenhof. Hes & De Graaf Publishers, 448 blz. € 29,90.