De opmars der hufters

In zijn afscheidsbundel analyseert politicoloog Meindert Fennema hoe de elite steeds wordt uitgedaagd en neemt hij linkse generatiegenoten geestig op de hak. Over zijn eigen verleden zegt hij minder.

Meindert Fennema: Help, de elite verdwijnt! Bert Bakker, 350 blz. € 19,95

Tien jaar is de bestorming nu gaande. Maar de anti-elitaire volksbeweging heeft nog altijd geen eigen elite in het zadel geholpen. Fortuyn, Verdonk en Wilders hebben in hun hoogtijdagen bijna driekwart tot anderhalf miljoen kiezers aan zich gebonden, maar hebben geen magistraat, grootondernemer, omroepbestuurder of academicus van formaat geproduceerd, nodig om de maatschappij naar je hand te zetten.

Hoe anders was het bij die vorige opstand tegen het establishment, die van de jaren zestig-zeventig toen het bestel kraakte onder druk van de anti-elitaire democratiseringsbeweging. Politiek, universiteit, advocatuur, justitie, regering en tot slot bedrijfsleven: bijna overal schikte en plooide de oude elite zich of maakte plaats voor een jongere generatie.

Die wisseling van de wacht is een ongekend succes geworden. Volgens Martin Bosma, de chef-ideoloog van de PVV, is deze elite van ‘linksmensen’ na veertig jaar nog steeds aan de macht. Dat klopt. Het ligt ook voor de hand.

Anders dan toen is er nu geen alternatief. De anti-elitaire volksbeweging van deze eeuw wordt gedragen door autochtone ouderen en lager geschoolden, die in de strijd met nieuwkomers iets te verliezen hebben. Hun verlangens zijn vooral behoudend. Daar heb je geen nieuwe elite voor nodig.

De provo’s en jongeren in de vorige eeuw vertolkten qua demografie en toekomstperspectief precies het omgekeerde sentiment. Er was toen juist een wereld te winnen. En daarbij komt een eigen elite wel van pas.

Politicoloog Meindert Fennema (1946) is één van de intellectuele jongeren die daar indertijd van profiteerde. Dankzij een opstand tegen de heersende politicologengarde in Amsterdam werd hij een invloedrijk wetenschappelijk medewerker aan de de Universiteit van Amsterdam. Net als sommige kompanen sloot ook hij zich toen aan bij de Communistische Partij Nederland. Hij werd in 1971 lid en bleef dat tot de opheffing van de CPN in 1991. Vandaag nam hij, inmiddels hoogleraar, afscheid van de universiteit met een vrolijk afscheidscollege: Help! De elite verdwijnt. Deze openbare les is tevens het slot van een bundel (wetenschappelijke) artikelen over politieke filosofie, machtsvorming, economie, academie, extremisme en democratie. De meeste beschouwingen gaan over de tegenstellingen die rijzen als de gevestigde maatschappelijke orde wordt uitgedaagd door politieke buitenstaanders.

Die spanning is een rode draad in het oeuvre van Fennema. In zijn afscheidscollege gebruikt hij de ‘hufter’ om dit met één woord toe te spitsen. Hoe lager de burgers staan op de sociale ladder, hoe ‘hufteriger’ ze door de benarde elite worden gevonden, stelt hij. De term hufter is ‘klassengebonden’. Wanneer corpsballen zich in de jaren zestig te buiten gingen aan ‘kroegjool’ werden ze nooit voor hufter uitgemaakt. Piet Grijs overkwam dat evenmin. En Fennema ook niet, hoewel hij zich aan de universiteit naar eigen zeggen ook als ‘intellectuele hooligan’ heeft gedragen.

De opgang van het woord hufter is volgens Fennema een bijverschijnsel van de emancipatie van de burger die geen elite meer heeft om tegenop te kijken. Dat laatste verwijt hij vooral de linkse bestuurders, van het type Bram Peper dat het motto ‘samen voor ons eigen’ van Jacobse en Van Es tot het zijne maakte. ‘De sociaal-democratische elite raakte volledig gemonetariseerd en had daarmee opgehouden een sociaal-democratische elite te zijn.’ Waarna Fennema concludeert: ‘Feit is dat de democratisering van de samenleving geen onverdeeld genoegen is geweest. […] We moeten ons verlaten op het herstel van ouderwets moralisme onder bestuurders.’

Die laatste verzuchting valt de lezer rauw op het dak. Want 300 pagina’s lang heeft Fennema juist de rationele empiricus uitgehangen, zoals het een politicoloog betaamt. Overal schemert, al dan niet cijfermatig, de vraag door of het volk zich in de (parlementaire) democratie wel voldoende gerepresenteerd ziet of dat het in de steek is gelaten en daarom met oproer dreigt. ‘Burgers die niet zijn georganiseerd en die weinig sociaal vertrouwen hebben zullen ook de overheid minder vertrouwen, maar daar tegelijkertijd ook sterker van afhankelijk zijn omdat zij niet beschikken over maatschappelijke organisaties. Dat kan leiden tot de paradoxale situatie dat burgers met weinig politiek vertrouwen geneigd zijn de overheid alsmaar meer machtsmiddelen te geven: er moet meer politie komen, misdrijven moeten zwaarder worden bestraft, de doodstraf moet weer worden ingevoerd!’

De gevolgen zijn groot. De moderne liberale democratie is ‘niet denkbaar zonder de belofte van een groeiende maatschappelijke gelijkheid’, aldus Fennema. Als kenner van communisme én fascisme – niet te verwarren met de verzorgingsstaat-xenofobie van Hans Janmaat en Geert Wilders – onderkent hij die consequenties daarvan. Als perspectief ontbreekt, ontstaat er ruimte voor extremistische volksbewegingen. De linkse ijveren voor een egalitaire moraal, de rechtse voor een nationalistische en de etnisch godsdienstige voor een culturele en religieuze moraal. De overeenkomst is dat ze alle een ‘publieke moraal willen opleggen aan de politieke gemeenschap.’

Allemaal leuk en aardig. Maar waarom moeten we ons in de tussentijd verlaten op het ouderwetse moralisme van een elite die niet bij machte is om haar moraal uit te venten? Waarom bijt Fennema zich in zijn eigen staart?

Ik denk dat hij dit ‘amen’ nodig heeft omdat hij zijn eigen geschiedenis in Help! De elite verdwijnt buiten beschouwing laat.

Over zijn generatiegenoten oordeelt hij geestig, meedogenloos of beide. Fennema maakt zich vrolijk over medeactivist professor Siep Stuurman, die net als Hans Daudt, zelf ook door de jeugd zou worden weggebonjourd. Hij ridiculiseert de linkse bureaucraat Gert Jan van Oenen, die de faculteit kapot administreert, door hem eerst met O. aan te duiden maar in een volgend hoofdstuk gewoon met naam en toenaam. Hij koestert de PvdA’er Roel in ’t Veld en Jankarel Gevers als geliefde bêtes noires die de verheven en verheffende ‘alma mater’ met hun commercialiseringsdrift naar de bliksem hielpen. Maar over zijn eigen lidmaatschap van de CPN schrijft hij slechts dat het hem nog lang werd ‘nagedragen’.

Dat nadragen viel mee. Voormalig VVD-leider Frits Bolkestein maakte graag een uitzondering voor zijn ‘favoriete ex-communist’ Fennema, anders dan bijvoorbeeld oud-Tweede Kamerlid Gijs Schreuders die over zijn verleden het indringende De man die faalde schreef.

Maar dat is geen reden er omheen te draaien, zeker niet in deze bundel die ook enigszins het karakter van memoires heeft. Waarom was Fennema lid van de CPN? Een autoritaire partij die karaktermoord placht te plegen op renegaten door een marxist als Ger Harmsen tot ‘NAVO-professor’ te bestempelen. Die prins Bernhard in 1976 ondanks de Lockheed-affaire de hand boven het hoofd hield. Die in 1977 de banden aanhaalde met de Sovjet-Unie waar toen net een grondwet van kracht was die de zusterpartij CPSU het machtsmonopolie verschafte. Die in 1989 acte de présence gaf op de laatste verjaardag van de DDR.

Het antwoord is vast persoonlijk van aard. Ik zelf was in de jaren zeventig lid van de Pacifistich Socialistische Partij. Nog altijd kijk ik beschaamd terug op de visie van de PSP op de Portugese democratie na de Anjerrevolutie van 1974. Fennema heeft geen last van gêne voor zijn communistische papieren. En dus stelt hij die vragen niet in het openbaar. Als nazaat van linkse Friezen heeft hij zichzelf altijd als outsider opgesteld. Zijn succesvolle putsch bij de politicologen en zijn academische carrière daarna waren geen reden om verantwoordelijkheid te nemen voor het grotere geheel. Fennema is een provocateur gebleven, binnen dan wel buiten de elite van zijn generatie. Vandaar die interesse voor dat scala anti-elitaire bewegingen: van CPN tot PVV.

Die kennis leidt in Help! De elite verdwijnt zeker tot een overzichtelijke, intelligente en vermakelijke bundel. Maar door anderen de maat te nemen en zelf buiten schot te blijven, wordt het soms ook een wat vals boek.