De fiets is de betere bonus

Rosita Steenbeek in het noorden van Italië Uit haar besproken boek

Hans Declercq: Een filosofie van de fiets. Londense notities. De Bezige Bij, 190 blz. € 19,95

Rosita Steenbeek: Amsterdam-Delphi. Op de fiets naar het orakel. De Arbeiderspers, 248 blz. € 19,95

Wie tegenwoordig een boek wil schrijven over zijn fietservaringen, moet wel iets bijzonders te melden hebben. Dan moet er toch minstens in Vietnam zijn rondgepeddeld, zoals Kristien Hemmerechts een aantal jaren geleden deed (Een jaar als (g)een ander). Of men rukt uit in fietsvijandige oorden als New York, Istanbul, Buenos Aires of Sydney, en mijmert al fietsend over stadsarchitectuur, wereldpolitiek en ozonlaag, zoals David Byrne (Op de fiets). Of men vertrekt geheel onvoorbereid naar Rome, op een oud barrel, stuit onderweg op allerlei obstakels, en doet daar welgemoed verslag van, zoals Ilja Leonard Pfeijffer (De filosofie van de heuvel). Zie trouwens ook: Peter Delpeut, De grote bocht. Kleine filosofie van het fietsen. En In de woestijn fiets je niet.

In dit koor van intellectuele fietsschrijvers, die in hun eigen tempo dingen willen ontdekken, voegen zich nu ook Rosita Steenbeek (1959) en Hans Declercq (1976). Steenbeeks verslag van haar fietstocht naar Delphi, Amsterdam-Delphi, met fotograferende Armeense metgezel, doet nog het meest denken aan dat van Pfeijffer, die zich liet vergezellen door een Russische fotografe. Met dit verschil dat Steenbeek de vele kilometers niet aflegde op een aftandse fiets, maar op een speciaal voor haar samengestelde roze Cannondale. Zij droeg daarbij een roze helm, roze handschoentjes en al even roze, hemelsblauwe of lila fietspakjes, waarvan zij de verschillende merken meer dan eens noemt.

Steenbeek probeert diepgang te verlenen aan haar reisverslag door zo ongeveer op elke straathoek te verwijzen naar historische figuren en feiten, maar toch is het de blije meisjesachtigheid die overheerst. Zij is wel eens boos omdat een klim lang duurt, of omdat het zo hard waait, maar steeds valt ze ook weer in katzwijm voor glinsterende sterrehemels, romantische tuinen, majesteitelijke uitzichten op zee, en voor de verschillende toverstadjes waar ze doorheen fietst. ‘„Liefste”, roep ik luid, „Wat is dit mooi!”’

Dan zijn de observaties van Hans Declercq veel interessanter. Hij verhuisde een paar jaar geleden van Brussel naar Londen. Op aanraden van een vriend nam hij zijn racefiets mee. Met die racefiets fietste hij vervolgens niet alleen naar zijn werk, maar maakte hij ook diverse zondagse ritten, in een poging, zoals hij dat uitdrukt, zijn nieuwe woonplaats en de bewoners ervan te ‘vatten’.

In Een filosofie van de fiets draagt hij een bepaalde missie uit. Net als Hemmerechts, Byrne, Pfeijffer, Delpeut en Steenbeek wil hij met zijn ‘Londense notitities’ overbrengen dat iedereen overal kan fietsen waar hij of zij maar wil. Fietsen in een stad is niet alleen gezonder, maar ook veel prettiger, vaak ook sneller dan reizen per auto, bus, tram of metro.

Declercq wil er geen straffe leer van maken. De vrijheid van de fietser staat steeds voorop. Hij draagt dus gewone kleren en geen helm, handschoentjes, fietsbroek of reflecterende jasjes. Hij wil niet te veel nadruk leggen op de grondstoffen en uitlaatgassen die hij al fietsend uitspaart. Ook doet hij niet mee aan de protestactie van militante Londense fietsers die één keer per jaar, in de lente, naakt door het centrum rijden om zo extra aandacht te trekken voor de verkeersveiligheid van de fietser.

Declercq is ook niet speciaal een heer in het verkeer. Hij fietst, als dat zo uitkomt, over voetpaden of door rood licht. ‘Als een politieagent mij aanhoudt blijk ik bovendien geen Engels te spreken.’ Fietsen op atypische plekken is iets voor mensen met anarchistische neigingen, zo valt op te maken uit Een filosofie van de fiets. Maar vooral ziet Declercq fietsen als een manier om muizenissen te verdrijven, om de kop vrij te houden van sombere gedachten of al te veel twijfel. Zijn donkerblauwe Kettler is zijn antidepressivum.

Al fietsend, door Chelsea, Fulham, Mayfair, Soho of over het jaagpad langs het Regent’s Canal denkt hij er heel wat af, over mens en maatschappij. Over onbegrepen asielzoekers aan wie het leven in den vreemde dagelijks knaagt. Over wegloopjongeren en jeugdige zwervers, aangetroffen onder bruggen en in achterstandsbuurten, die even ontsnapt zijn aan het dagelijks gareel. Over oliesjeiks die in navolging van Abramovitsj hun geld liever spenderen aan ‘voetballers met een Ferrari’ dan het te investeren in ‘arme Arabische gebieden.’ Over het blijmoedige optimisme van de gemiddelde ‘Londoner’ met zijn ‘punky’ kledingstijl en parmantige tred – met de voeten lichtjes naar buiten.

Je zou Declercq kunnen verwijten dat hij zijn gedachten niet altijd afrondt. Of dat hij quasi geleerd ‘kwalitatief’ schrijft in plaats van ‘goed’, ‘percipiëren’ in plaats van ‘zien’, ‘heterotopisch’ in plaats van ‘misplaatst’. Maar zijn snelle gedachtenflitsen hebben vooral iets opwekkends. De oplossing van allerlei problemen ligt steeds verrassend dichtbij. Mondiaal overgewicht? Niet nodig als iedereen op de fiets klimt. Financiële crisis? Had bezworen kunnen worden als bankmedewerkers een fiets als bonus hadden gekregen. Dan hadden ze frisse lucht gekregen en opengestaan voor betere gedachten. Ontslag wegens reorganisatie? De wielrijder neemt het sportief op en verhuist soepel van Londen naar Barcelona – waar het ook goed fietsen is.

De grote aanbeveling die oprijst uit deze Londense notities is dus van een aanstekelijke eenvoud. Ga fietsen. Dat is ook wat Rosita Steenbeek haar lezers steeds voorhoudt tijdens haar Delphi-pelgrimage. Een fietser piekert niet over de dag van morgen of gisteren. Die maakt simpelweg zijn kilometers in een gelukzalig hier en nu.