De Bovenbazen

Toen de Oude Schicht gevuld was, zette het voertuig zich weer in beweging en verliet het pompstation. Op hetzelfde moment traden de twee figuren uit de schaduw tevoorschijn.

‘Wie is dat die daar wegrijdt?’ vroeg de langste.

‘Dat is meneer Bommel!’ zei de bediende.

‘Dat weet ik al,’ gromde de kleinste ongeduldig. ‘Maar wie is Bommel? Dat wil ik weten!’

De benzineslijter opende de mond om te antwoorden, doch toen herkende hij de ander en hij haastte zich de pet af te nemen. ‘Tot uw dienst, meneer aws!’ riep hij uit. ‘Meneer Bommel is eh… hij is een klant zogezegd. Een keurig iemand, hoor. Betaalt altijd – en een tip wil er ook wel overschieten. Maar hij is wat eigenaardig… Hij houdt zich aan de gewone benzine, hè? Nooit Ultra…’

‘Ze praten over u,’ zei Tom Poes, die uit de Oude Schicht naar buiten keek.

‘Dat kan,’ gaf heer Ollie toe. ‘Vind je dat zo vreemd? Het is heel begrijpelijk dat een heer van mijn stand het onderwerp van een gesprek is. Allicht zit men eens om een hoogstaand voorbeeld verlegen en dan... Maar wie praat er over mij?’

‘Die aws,’ verklaarde Tom Poes. ‘U weet wel. Hij staat daar bij de pomp met die secretaris van hem.’

‘Zo,’ zei heer Bommel peinzend. De glimlach verdween langzaam van zijn gezicht om plaats te maken voor een rimpel.

‘Zo,’ herhaalde hij. ‘Wat wil dat ventje toch? Niet dat hij mij interesseert, hoor, daar is hij te onbeduidend voor. Maar ik zou toch wel eens willen weten, wie die aws is.’