Column

Brandstichters

Het CDA worstelt nog dagelijks vertwijfeld met de schaduw van de PVV. Waarom heeft het CDA het zo ver laten komen, waarom heeft het zijn toekomst op het spel gezet voor de samenwerking met een onbetrouwbare indringer?

Een lezer adviseerde me: lees het hoorspel uit 1952 (later uitgebreid tot een, ook in Nederland opgevoerd, toneelstuk): Herr Biedermann und die Brandstifter van de Zwitserse schrijver Max Frisch. Of ik dat kende? Ik wist het niet. Als ik het ooit had gezien of gelezen, was ik het vergeten. Ik liet een boekje van uitgeverij Suhrkamp komen en las een tekst die me steeds bekender voorkwam.

Dit is ook het verhaal van het CDA, schreef die lezer mij. En ja, hij heeft in zoverre gelijk dat er zekere ‘grappige’ overeenkomsten zijn.

Meneer Biedermann (het CDA, Maxime Verhagen?) is een (kale) handelaar in haarwater, een kleinburger die niet voor kleinburger wil doorgaan, een man die aan de stamtafel ferm spreekt over de brandstichters in zijn stad Seldwyla die opgehangen zouden moeten worden. Maar als zo’n brandstichter, Schmitz (Wilders?) geheten, zich brutaal aan zijn deur meldt, kruipt Biedermann snel voor hem in het stof.

Hij laat Schmitz binnen, geeft hem eten, drinken en zelfs onderdak. Schmitz maakt handig gebruik van Biedermanns zwakke karakter. Hij doet zich voor als een onbeholpen, volkse man met een minderwaardigheidscomplex: „U bent een mens van goede wil, meneer Biedermann, maar wat kunt u eraan doen dat ik geen manieren heb?”

Zo brengt hij Biedermann almaar verder in verlegenheid. Biedermann staat hem steeds meer gunsten toe, al voelt hij zich gehinderd door de scepsis van zijn vrouw (Ab Klink?) en dienstbode Anna (Ernst Hirsch Ballin?).

Biedermann: „Anna is bang dat u een brandstichter bent! Natuurlijk heb ik haar uitgelachen! Als u maar begrijpt – hier is de jam! – dat ik u in geen enkel opzicht wil kwetsen, meneer Schmitz…”

Biedermann wordt wel even boos als blijkt dat Schmitz ook een sluwe metgezel (Martin Bosma?) ongevraagd op zijn zolder laat slapen, maar durft de heren uiteindelijk niet zijn huis uit te zetten. Toch worden de aanwijzingen dat zij zelf de brandstichters van Seldwyla zijn steeds duidelijker. Sterker nog: zij doen nauwelijks moeite dat te verbergen. Ze stapelen blikken benzine op Biedermanns zolder op en zijn in de weer met een lont. Biedermann kijkt weg.

Schmitz heeft hem aan zijn stamtafel geobserveerd en gedacht: „Mensen zoals u, dat is wat wij nodig hebben.”

„Herrgott im Himmel!” verzucht Biedermann steeds. Hij heeft onderonsjes met de schrijver van het stuk die hem meewarig toevoegt: „Het moet een zware tijd voor u zijn geweest, meneer Biedermann, al die innerlijke strijd die er steeds weer mee eindigt dat u niets kon uitrichten.”

Aan het slot geeft Biedermann zelf zijn bezoekers de lucifers waarmee ze zijn huis in brand zullen steken. „Waarom?” vraagt zijn vrouw wanhopig. „Waarom niet?” zegt Biedermann.

Er bestaan veel interpretaties van deze wrange parabel. Frisch zou er de opkomst van het communisme en nationaal-socialisme mee hebben willen symboliseren. Frisch heeft dat zelf tegengesproken. Biedermann was een bourgeois, zei hij, maar de brandstichters waren geen revolutionairen, zij waren apolitieke pyromanen, ze deden het uit lust. „Ze komen uit de familie van de demonen, ze zijn geboren uit Biedermann zelf…uit zijn angst die voortkomt uit zijn onwaarachtigheid.”