Berlijn wordt minder streng

Nu de problemen in de zuidelijke lidstaten verder oplopen, begint Duitsland te beseffen dat het zelf geld moet uitgeven om de euro te redden.

Economisch Commentator

AMSTERDAM. Stijgende rentevoeten in het zuiden, dalende rentes in het noorden en een verstikkende atmosfeer op de financiële markten en in de Europese politiek: wie alleen naar het oppervlak staart, zou concluderen dat de eurocrisis hard op weg is even acuut te worden als in de bange dagen van november vorig jaar. De bewijzen zijn legio. Spanje haalt zijn begrotingsdoelstellingen voor dit jaar niet. De overheid nam een aandeel van 45 procent in de wankelende bankengroep Bankia. Geruchten dat Spanje het volgende land is dat steun moet vragen bij de eurolanden en het Internationale Monetaire Fonds zoemen rond op de markten. In Griekenland lijkt het onmogelijk om een regering te formeren. Het Europese stabiliteitsfonds EFSF keerde gisteren met lange tanden 4,2 miljard euro aan steun uit om te voorkomen dat de Griekse staat failliet gaat – een miljard minder dan gepland om de druk op de ketel te houden. Beleggers houden er inmiddels serieus rekening mee dat Griekenland de euro verlaat. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Westerwelle zei woensdag dat dit nu „aan de Grieken zelf is”, een in diplomatieke termen ongemeen hard standpunt. Toch voltrekt zich een belangwekkende verandering: Duitsland begint bij te draaien. Het standpunt in Berlijn was altijd dat de zwakke eurolanden zich uit de markt hadden geprijsd met veel te hoge prijs- en loonstijgingen, waardoor zij aan concurrentiekracht verloren. Het gewenste antwoord: keiharde bezuinigingen, vergaande structurele hervormingen en beleid dat er op gericht is het te hoge prijspeil weer richting het Duitse niveau te sturen. Zo kan de balans in de eurozone worden hersteld. Maar wat als dat leidt tot een zuidelijke spiraal van recessie en deflatie, dat bezuinigingen alleen maar lastiger maakt? Duidelijk wordt dat als dit beleid wordt doorgevoerd, er een maatschappelijk klimaat ontstaat van verzet tegen de directieven uit Brussel en Berlijn. De verkiezingsuitslagen in Griekenland en Frankrijk spreken boekdelen. De berg komt, zoals het spreekwoord gaat, niet naar Mohammed. En dus moet Mohammed naar de berg. Als het prijspeil in het zuiden niet snel en ver naar beneden kan om zaken binnen de eurozone weer recht te trekken, dan moeten de prijzen van goederen, diensten en arbeid in Duitsland misschien wel extra omhoog. Deze week schreef de Duitse centrale bank aan de Bondsdag dat „Duitsland in de toekomst een inflatie zou kunnen hebben die enigszins boven het gemiddelde van de muntunie ligt”. Alleen al het toegeven daarvan is een doorbraak. Tel daarbij op dat minister Schäuble van Financiën op maandag de forse looneis van ruim 6 procent van de machtige metaalbond verwelkomde. Zelfs de doorgaans slapende woningprijzen zijn aan het stijgen, met 10 procent in de grote steden in het afgelopen jaar. Duitsland wordt heter, om te voorkomen dat het zuiden bevriest. In dat licht moet ook de recente gedachtenverandering van de Europese Commissie worden gezien. Vandaag komt die met de jongste prognoses voor de euro-economie. Die beloven dramatisch te worden. En dus circuleert al het idee dat de teugels voor het begrotingsbeleid losser moeten, vooral voor Spanje, om te voorkomen dat de zwakste landen zich kapot bezuinigen en de hele euro-economie met zich meetrekken. Zonder goedkeuring uit Berlijn is zo’n koerswending ondenkbaar.