Ouderwets kalm, jong en briljant

De Poolse pianist Rafal Blechacz (26) was in 2005 de glansrijke winnaar van het Chopin Concours. Onlangs verscheen zijn vierde cd, morgen soleert hij in het Concertgebouw. Zijn spel is breekbaar, waar nodig robuust en vooral ook betoverend kleurrijk.

Pianist Rafal Blechacz geeft maar vier concerten per maand. Foto Hollandse Hoogte

Op het Chopin Concours 2005 won de toen twintigjarige Rafal Blechacz alle prijzen. Wie speelde Chopins Mazurka’s het mooist? Blechacz. Het concertprogramma? Blechacz. De opeenvolging van eervolle vermeldingen was al even memorabel en bedwelmend als Blechacz’ spel. Eindelijk had Polen weer een nationale erfgenaam van Rubinstein, Paderewski en Zimerman. En de tweede prijs dan? De jury besloot die niet uit te reiken, om zo Blechacz’ soevereiniteit extra te onderstrepen.

Tussen alle jonge pianisten die cd’s maken en bouwen aan een internationale podiumcarrière straalt Rafal Blechacz (26) een haast onwereldse, ouderwetse kalmte en bescheidenheid uit. Interviews? Hij geeft ze weinig. Concerten? Met vier per maand ben je er. „Ik heb mijn rust nodig, het kost tijd om na te denken en te werken aan mijn interpretaties”, glimlacht hij na afloop van een solorecital in de lobby van zijn Haagse hotel.

Daar staat tegenover – of beter: daaruit vloeit voort – dat op Deutsche Grammophon het ene na het andere juweel van zijn hand uitkomt. Natuurlijk was er eerst een cd met Chopin – voor een Poolse Chopinwinnaar had het niet anders gekund. Daarna volgde een album met Mozart, Beethoven en Haydn, daarna weer Chopin (concerten met het Concertgebouworkest). En nu is er een vierde cd die behalve lof voor de kleurenrijkdom van het spel ook een originaliteitsprijs verdient: impressionistische werken (Pour le piano en Estampes) van Debussy zijn gekoppeld aan de zelden gespeelde, expressionistische muziek van de Poolse componist Karol Szymanowski.

„Ik word nu vaak geafficheerd als Chopin-specialist maar voor ik het Chopin Concours won, speelde ik vooral ander repertoire”, zegt Blechacz. „Liszt, Schumann, Debussy. Die achtergrond hielp me mijn Chopin-interpretaties te polijsten. Nu werkt het de andere kant op; het spel met schaduw en kleur dat bij Chopin cruciaal is, is dat in Debussy evenzeer. Szymanowski wilde ik graag spelen omdat zijn muziek niet bijster populair is, zelfs niet in Polen.” Hij grinnikt even. „En dat hoop ik nu te veranderen. Ik vind zijn muziek vaak zeer diepzinnig en ontroerend.”

Blechacz is wellevend en vriendelijk, maar over zijn koers als musicus zeer gedecideerd. Reizen doet hij per auto, zeker de concertreizen binnen Europa. „Niet uit vliegangst, maar ik vind het prettig. Na concerten zit ik toch vol adrenaline, en daarna ga ik dan lekker rijden. Dat ontspant me. Al doende praat ik met mijn vader, of beluister cd’s met filosofiecolleges. Als ik wil stoppen, stop ik. Voor een artiest is dat gevoel van autonomie zeer belangrijk. Daarna kan ik dan rustig gaan slapen.”

Afgelegen wonen

Blechacz’ liefde voor muziek begon bij het orgel. Maar thuis stond een piano en praktische overwegingen leidden hem weg van zijn eerste liefde. „Helemaal gedoofd is die niet, hoor. Als ik thuis ben, speel ik vaak genoeg tijdens en na de dienst in onze kerk. Maar vanaf mijn elfde, na het winnen van een eerste wedstrijd, wist ik wel zeker dat de piano voortaan mijn hoofdinstrument zou zijn. De atmosfeer van live recitals vond ik heerlijk. Zo’n zaal, die gewijde stilte, het publiek... Dat wilde ik ook.”

Blechacz woont nog steeds in zijn geboortestreek, net onder de rook van de in het noordwesten van Polen gelegen stad Bydgoszcz (Bromberg). Met de eerste verdiensten – zijn eerste cd’s verkochten samen 160.000 exemplaren, voor een klassiek artiest extreem veel – kocht hij een huis op het platteland. „Om te lezen en piano te studeren is de afgelegen ligging ideaal en zelfs noodzakelijk.” Zijn ouders wonen er ook, en zijn zusje. „Eh... ja. Natuurlijk heb ik wel eens zin om eruit te breken”, erkent hij. „Maar ik reis veel. En ik wil me nu richten op het uitbreiden van mijn repertoire. Dat is mijn hoofdprioriteit.”

Rafal Blechacz geeft recitals in de beste zalen, soleert bij de belangrijkste orkesten. „Dat was wat ik wilde en waarom ik zeven jaar geleden heb meegedaan aan het Chopin Concours, voor mijn doorbraak. Maar er leiden meer wegen naar de top en meedoen aan concoursen is zeker niet zaligmakend. Ik kon zelf met de bijbehorende stress omgaan, omdat ik al tevoren besloten had me uitsluitend op mezelf en de stukken die ik ging spelen te richten. Ik heb ook helemaal niet geluisterd naar mijn mededingers, geen tv gekeken, geen radio geluisterd, niks. Alleen afzondering. Dat werkte. Maar in wezen wijs ik concoursen af. Musici vergelijken in wedstrijdverband is conflictueus met de aard van de muziek.”

Zijn individualiteit is heilig voor hem, zegt Blechacz. „Doordringen in een stuk en daar een persoonlijk avontuur in en mee beleven.”

Aan studie naar de identiteit van die muziek wijdt hij zijn vrije uren. Hij studeert filosofie, met een nadruk op esthetiek en muziekfilosofie. Kijk, wijst hij, de geschriften van de Poolse fenomenoloog/estheet Roman Ingarden zitten altijd in zijn boekentas.

„Ingarden heeft interessante dingen gezegd over de identiteit van muzikale composities. De problemen die hij aankaart, raken aan de vragen die ik mij als interpreterend musicus stel, over interpretatie, hermeneutiek en de rol van metafysica bijvoorbeeld. Hoezo? Neem de Polonaise fantasie op. 61 van Chopin. Zo’n stuk, en dat geldt voor veel zeer grote muziek, kan een sterk metafysisch gevoel oproepen – zowel bij de luisteraar als de uitvoerende. Soms onderga ik die sensatie, soms forceer ik me er bewust over na te denken wat er wanneer in mij gebeurt.”

Die dwang gedachten en gevoelens tijdens het spelen te signaleren en te benoemen kan artistiek zeer vruchtbaar zijn, vindt hij. „Wladysfaw Strozewski, een leerling van Ingarden, schreef dat het vinden van een goede interpretatie altijd een dialectisch proces is, afhankelijk van groei en veranderingen binnen de psyche van de artiest. Musiceren is een zoeken naar de juiste balans tussen wat het stuk eist en het nemen van je artistieke vrijheid – als het ware tussen de noten door.”

En dan stapt Blechacz weer in de auto, op naar het volgende concert. „Maar natuurlijk verheug ik me daarop”, zegt hij. „Het leven dat ik leid is vol van alles wat ik als kind al zo prachtig vond aan concerten; de atmosfeer van gespannen afwachting, vooral.” Met een lachje: „Alleen wacht men nu op mijn interpretaties. En de zalen zijn een stuk groter.”

Op 11/5 soleert Blechacz in het Derde pianoconcert van Beethoven bij de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen o.l.v. Trevor Pinnock, Concertgebouw Amsterdam. Inl.: blechacz.net