'Nog beter, nog een stapje hoger - knettergek word je ervan' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering acht: saxofonist en componist Yuri Honing (1965).

‘Ik heb eigenlijk niet één werkplek. Er zit bij mij geen systeem in: dan ben ik weer hier, dan weer daar, vaak in het buitenland. Ook thuis zit ik hier bijna nooit; als ik schrijf of sax oefen, loop ik continu rondjes in de kamer. Stilstaan kan ik niet. Maar dit hoekje is wel de plek waar ik even wat kan uitproberen op de piano, om te horen of het klopt wat ik in mijn hoofd had. Die poster die daar hangt is me erg dierbaar, hij hangt hier al zo’n vijftien jaar. Mijn grote held Miles Davis in een Apple-campagne. Ik kijk ernaar als ik even vastloop. Er staan maar twee woorden op: Think different. Maar dit is dus wel waar het om gaat. Out of the box blijven denken.

Ik maak en speel heel verschillende soorten muziek. Met een zachte en een harde band. En alle vooroordelen kloppen: als ik met mijn akoestische band op tournee ben, zitten we rustig in het vliegtuig een boekje te lezen. Als ik met Wired Paradise op pad ben, gaat het er erg ruig aan toe, wordt het ongecontroleerd gekeet en veroorzaken we overlast. Dat is blijkbaar de vibe die je nodig hebt om dat soort muziek te kunnen maken. We werken nu aan nieuw repertoire – maar op een andere manier dan voorheen: tot voor kort schreef ik alles helemaal zelf, tot alle partijen van de instrumenten aan toe. Dan kwam ik daarmee naar de repetitieruimte en gingen we dat spelen. Het was voor mijn muzikanten in feite uitvoeren zoals ik het had bedacht. Voor de komende plaat neem ik vrij vage ideeën mee naar de oefenruimte, waar de muzikanten die vervolgens interpreteren. Dat neem ik op en thuis reageer ik er zelf weer op. Dat neem ik dan weer mee terug, enzovoorts. Heel tijdrovend, het scheppen gebeurt veel meer gezamenlijk. Maar het werkt wel heel goed. Bovendien: die muzikanten zijn allemaal van zo’n topniveau – het is natuurlijk zonde daar geen gebruik van te maken.

De meeste inspiratie haal ik uit de sound van pop en rock. Dat is ook het veld waar op dit moment heel veel ontwikkeling in is. Het componeren gebeurt allemaal in mijn hoofd. Alles: losse details, melodielijntjes, ritmes, ideetjes. Dan schrijf ik het op – heel vaag, heel snel; ik weet zelf wat ik bedoel en heb geen tijd om dat gedetailleerd allemaal uit te schrijven. Dan ga ik weer rondjes lopen en alles in mijn hoofd combineren. Wat ik dan nodig heb is eigenlijk maar één maat, waarin alle elementen die je zoekt zijn vertegenwoordigd. Meestal is dat niet de beginmaat maar iets in het midden van het nummer. Eerst zorg ik dat die ene maat helemaal klopt, en van daaruit werk ik vervolgens het stuk uit. De structuur van het lied stel ik daarbij zo lang mogelijk uit, die belemmert juist de ontwikkeling van het nummer. Ik componeer altijd zonder instrumenten. Ik schrijf nooit op bijvoorbeeld de sax. Dan krijg je instrument-gerelateerde composities. Het componeren heeft op zich dus ook niks te maken met het spelen – dat komt daarna. En ik zie later wel hoe ik dat oplos, of ik het ook kan spelen op die sax. Het is monnikenwerk. Maar als het dan eenmaal af is, gaat het lang mee. Dan blijft het vier, vijf jaar in het repertoire zitten. Omdat het dan ook perfect is. Ik kan niet tegen middelmatigheid, dat trek ik niet. Vandaar alsmaar door blijven gaan totdat het goed is. Ik word er natuurlijk wel eens knettergek van. Het moet altijd beter, altijd nog een stapje hoger. Jezelf dwingen jezelf te overstijgen, dat vind ik heel belangrijk. Dóórwerken. Het is niet zo moeilijk om van niets iets goeds te maken. Het is wél heel moeilijk om van iets goeds iets uitstekends te maken. Op allerlei manieren blijf je schaven, echt op de millimeter. En ineens: pop! – daar heb je hem. Je vóélt het, weet het, wanneer het goed is; dat is gewoon de natuur. Daar was je de hele tijd dus naar op zoek.

Het wordt nog drie keer harder dan Wired Paradise. Echt zó dat je je milt op en neer voelt gaan. Het harde wordt harder, maar tegelijkertijd wordt het zachte zachter. De extremen worden extremer. Dat hoort bij me, het is onderdeel van wie ik ben. Behalve die rustige, lyrische, melancholische kant van me zit er geloof ik toch ook vrij veel rock-’n-roll in mij. En daarbij geldt: hoe meer, hoe beter. Het liefst zou ik niet twee maar drie gitaren in de band willen, en twee drumstellen. Ik wil echt een Wall of Sound. Die adrenaline die dan loskomt! Dat er zo veel energie vanaf het podium komt dat de hele zaal loopt te stuiteren. Waanzinnig. Het zorgt er alleen wel voor dat je dus niet meer in slaap kunt komen. Lig ik om een uur of één in mijn hotelkamer, staan er om drie uur ’s nachts ineens een paar stuiterende gasten voor de deur: mijn medemuzikanten, die net als ik niet kunnen slapen. Zitten we tot de volgende ochtend weer op het dak van het hotel flesjes wijn weg te tikken. Dus die tournees moeten niet te lang duren, nee. Anders kan ik bij terugkomst in Nederland meteen door naar het AMC.”

Op 16 mei treedt Yuri Honing op in het Bimhuis in Amsterdam en neemt hij de VPRO/Boy Edgar Prijs in ontvangst.