Nee, het is geen grap. Ik wil het echt

Schrijver en cabaretier Johan Fretz wil premier van Nederland worden. „Als romanticus probeer ik het hoogste te bereiken en wijs ik al het andere af.”

Nederland, Amsterdam, 08-05-2012 Johan Fretz, Schrijver / Cabaretier / Muzikant / Presidentskandidaat Fretz 2025 PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2012

Redacteur Activisme

Cabaretier en publicist Johan Fretz (26) heeft een buitengewoon talent: hij kan speechen als Barack Obama. Op het Malieveld in Den Haag bracht hij in 2010 duizenden demonstranten in extase met een verrassend pleidooi tegen de culturele bezuinigingen. In tegenstelling tot andere sprekers sloeg hij geen boze, verbolgen toon aan, maar riep hij op tot verbroedering („de ondernemers, liberalen, boze mensen uit achterstandswijken en conservatieven zijn niet onze vijanden”) en vechtlust („wij zijn geen slachtoffers!”). De speech werd een hit op internet en al snel werd Fretz in de media gebombardeerd tot aanstormend politiek talent.

Sindsdien staat zijn leven zowel in het teken van het theater als de politiek. Met de muzikale cabaretgroep De Gebroeders Fretz toert hij door het hele land. Ondertussen schrijft hij opiniestukken voor onder andere de Volkskrant, joop.nl en dejaap.nl en publiceerde hij het pamflet Hart voor de kunst (2011).

En nu is er Fretz 2025, een politieke autobiografie uit de toekomst. Het boek gaat deels over Fretz’ studententijd op de Toneelschool in Amsterdam, een leven vol feestjes, drank, drugs en meisjes. Het andere deel speelt in het jaar 2025. En dan blijkt dat Fretz geen gebrek aan ambitie heeft. In dat jaar, om precies te zijn, de verkiezingsavond van 2025, staat hij namelijk op het punt verkozen te worden tot minister-president van Nederland.

„Nee, het is geen grap”, verzekert Fretz in een Amsterdams café. „Dat zou impliceren dat ik de ideeën in mijn boek niet serieus neem. Ik wil echt premier worden.”

Die ambitie is wel, hoe zeg je dat aardig, een beetje megalomaan.

„Vanzelfsprekend. Maar in al zijn waanzinnigheid vind ik het ook een heel kwetsbaar streven. Ik steek mijn nek uit. Ik heb de twijfels en de zoektocht van een toekomstige premier proberen te beschrijven. In een politieke biografie geeft de schrijver zich als het goed is helemaal bloot en dat leek me een goed uitgangspunt om iets over de huidige politiek in Nederland te kunnen zeggen. Juist omdat politici in Nederland zelden hun zwaktes tonen. Bovendien: misschien word ik geen premier van Nederland, maar dan hoop ik toch met dit boek iemand geïnspireerd te hebben die beter is geschikt voor die baan.”

Maar als je in 2025 premier wil worden, moet je dan niet nu de politiek in om het vak te leren?

„Nee, ik ben bang dat ik dan snel een van hen zou worden. Het boek gaat over een bijzondere premier, die niet al jarenlang op het pluche zit voordat hij een gooi naar de macht doet. Een premier die een nieuwe, meer oprechte politieke introduceert. Om dat te kunnen doen moet je volgens mij een buitenstaander zijn.

„Bovendien heb ik als schrijver en cabaretier de vrijheid om mijn politieke ideeën verder te ontwikkelen. De scheidslijn tussen theater en politiek verdwijnt steeds meer in mijn leven. Met het theaterduo de Gebroeders Fretz zullen Marcel Harteveld en ik niet zo snel meer over rokjesdag zingen, en des te meer politiek en maatschappelijk geëngageerd theater gaan maken. Om iets teweeg te brengen hoef je natuurlijk ook niet de politiek in. Vooralsnog zie ik mezelf als verhalenverteller en niet als politicus. Stel je voor, straks hoor je mij nog praten over ‘maatschappelijk draagvlak’ of ‘de dynamiek van de beeldvorming’.

Wat is daar mis mee?

„Alles! De gezapigheid van die termen. Het zijn abstracties. Gemaakt om te maskeren wat je echt vindt. Het politieke idioom is een brij geworden waar geen enkele oprechte klank meer uit voortkomt. En de mensen pikken dat alleen maar omdat ze er gewend aan zijn geraakt. Je hoort een politicus nooit zeggen: ja, het is klote, dat hadden we nooit moeten doen. Of: ik wil ook 130 rijden, dat vind ik ook leuk. Maar we moeten het niet doen, want het is slecht voor het milieu. Het politieke jargon heeft geen enkele connectie meer met de innerlijk stem van de politicus en daardoor verliest hij ook elke connectie met zijn toehoorders.”

De presidentskandidaat in je boek wil verbinden, samenwerken met andere partijen. Maar zijn held Obama lijkt nu zijn strijd tegen de polarisatie te hebben opgegeven. En in Nederland is het historische Kunduz-akkoord gesloten, maar laat Jolande Sap ook weten dat ze liever met de PvdA samenwerkt. Is het ideaal van een samenbindende middenpolitiek wel realistisch?

„Wel als je het op generatieniveau bekijkt. Wij zijn de netwerkgeneratie, getraind in samenwerking. Maar de twintigers van nu zien dat onze politici daar nauwelijks toe bereid zijn, met als hoopvolle uitzondering het Kunduz-akkoord. De Haagse werkelijkheid staat mijlenver af van onze leefwereld en idealen. We zien hoe de politieke besluitvorming wordt gegijzeld door partij-ideologische tegenstellingen, terwijl het onderscheid tussen links en rechts ons helemaal niets zegt. Twintigers zijn veel pragmatischer: we zijn soms links, soms rechts. Je ziet hoe enthousiast er op de G500 is gereageerd, de jongerenbeweging die haar standpunten bij traditioneel links én rechts naar voren brengt.”

Als het niet linkse of rechtse idealen zijn, waar staat de toekomstige premier van Nederland dan wel voor?

„Noem het pragmatisch idealisme. De politiek moet de voorwaarden creëren waarbinnen mensen hun dromen kunnen najagen. Ik zeg altijd: het land van de onbegrensde mogelijkheden ligt niet aan de overkant van de oceaan, maar hier onder je voeten. Je hebt in Nederland een heel hoge sociale mobiliteit, je kunt van een duppie een kwartje worden. En dat komt omdat we een vangnet hebben van een basisinkomen en goeie zorg. Mijn ouders kwamen in mijn jeugd beiden in de WAO terecht, maar dankzij het sociale vangnet had ik toch een dak boven mijn hoofd, te eten, en kon ik onderwijs volgen op een school waar ik in aanraking kwam met kinderen die het wel goed hadden. Dat betekent dat ik dankzij die basisvoorwaarden zelf heb kunnen bepalen wat ik van mijn leven maak. Als je alle beleidskeuzes langs die lat legt, dan kom je soms op een rechtse maatregel uit en soms op een linkse. Dan kun je dus niet de pensioenleeftijd behouden: rechts. Maar je kunt de zorg ook niet zodanig privatiseren dat deze ontoegankelijk wordt voor mensen die het niet kunnen betalen: links.

„Maar dat is slechts een deel van het verhaal. De politiek heeft ook de taak mensen te stimuleren hun dromen na te jagen. Als je vijftien of zestien bent kan je ontzettend veel hebben aan figuren die je inspireren. Waarom is de politiek zo cynisch? Waarom is er geen politicus die ons vertelt in wat voor mooi land we leven en dat je alleen maar je ogen open hoeft te doen om alle mogelijkheden te zien?”

Mensen in je omgeving noemen je een romanticus en een dromer. Herken je jezelf in dat beeld?

„Jazeker, in het verleden uitte zich dat in een grote oversensitiviteit. Ik koesterde de pieken en dalen, zocht de melancholie en euforie op. Soms op het vervelende af.

„Maar als romanticus probeer ik ook altijd het hoogste te bereiken en wijs ik al het andere af. Audities voor toneelstukken doe ik niet meer, omdat ik een scheppende, initiërende kunstenaar wil zijn. En dat is een lange, zware weg. Het leven zou een stuk makkelijker zijn als ik genoegen nam met een rolletje in een musical.”

Heeft je jeugd in Almere daar invloed op gehad?

„Ik zat op een hele fijne school, scholengemeenschap de Meergronden, waar persoonlijke ontwikkeling erg werd gestimuleerd. Als we een film wilden maken, zeiden de docenten: doe maar, neem er een week voor.

„Ik herinner het Almere uit mijn jeugd als een gebied met onbegrensde mogelijkheden. Je kon de begeestering die in de lucht hing bijna aanraken. Dat bezielde gevoel – we gaan een stad bouwen! – heb ik altijd willen vasthouden.”

Uit wat voor gezin kom je?

„Bij ons thuis was er altijd gebrek aan geld. Ik kreeg nooit grote cadeaus en we gingen bijna nooit op vakantie. Nou ja, mijn ouders spaarden om me op zomerkamp te sturen. Dat was vakantie voor mij en ik was heel verbaasd dat alle andere kinderen na dat kamp nog eens ‘echt’ met hun ouders op vakantie gingen. Maar we vonden onszelf niet zielig. Dat is heel belangrijk geweest, denk ik. Dat ik niet ben opgevoed met het idee dat het zielig was dat we weinig geld hadden. Mijn ouders zeiden: dit is wat we hebben en het gaat in het leven toch om heel andere zaken.

„Daarom heb ik er ook zo’n hekel aan als politici over ‘de zwakkeren van de samenleving’ praten. Iemand in een rolstoel of met een uitkering wil zo toch helemaal niet worden aangesproken? Politici betuttelen graag, en een groot deel van het electoraat wentelt zich graag in die slachtofferrol. Maar dat is het tegenovergestelde van wat de politiek moet doen. Politici moeten mensen vertellen dat ze kansen hebben en dat ze die alleen maar hoeven te grijpen. Elk mens is tot grootsheid in staat, daar moet de politiek over gaan.”