Museum als hypermodern treinstation

Na jaren vertraging en een miljoenenoverschrijding is de verbouwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam klaar. Het museum heet je nu met open armen welkom.

Amsterdam, 09-05-2012. In- en exterieur van de nieuwbouw (architectenbureau Van Benthem Crouwel) van het Stedelijk Museum. Foto: Leo van Velzen NrcHb.

„Het heeft iets langer geduurd en het heeft iets meer gekost.” Carolien Gehrels, cultuurwethouder van Amsterdam, zei het gisteren eufemistisch, bij de presentatie van het nieuwe Stedelijk Museum. Ze doelde op de vertraging van vier jaar die de bouw van het museum inmiddels heeft opgelopen, en op de budgetoverschrijding van 20 miljoen euro waardoor de totale kosten uitkomen op 127 miljoen euro. „Maar nu”, zei Gehrels opgetogen, „is het Stedelijk er bijna weer.” De hagelwitte, door architectenbureau Benthem Crouwel ontworpen nieuwe vleugel – de badkuip – is opgeleverd. Directeur Ann Goldstein kan met inrichten beginnen.

Vooruitlopend op de opening op 23 september werd de pers gisteren een kijkje gegund in het nog compleet lege gebouw. Voor het eerst kwam er publiek binnen door de nieuwe ingang aan de zijde van het Museumplein. Het witte garderobeblok stond er nog wat verloren bij in de immense entreehal en de controlepoortjes die straks het publieke deel van de tentoonstellingsruimtes moeten scheiden, werkten nog niet. Maar toch: met een beetje fantasie kon je al een aardige voorstelling maken van hoe het nieuwe Stedelijk eruit gaat zien, als het straks gevuld is met kunst en met mensen.

De nieuwe entree, onder de enorme uitstekende luifel, is indrukwekkend. Het is alsof het museum je met open armen welkom heet. Binnen, in de entreehal, voelt het nog wat onwennig. De ruimte is groot en licht door de glaswanden die rondom uitzicht bieden op het Museumplein. Maar door de grijze basaltstenen vloer, de hoge witte plafonds en de gele tunnelbuis met roltrappen heb je nauwelijks het gevoel in een museum te zijn – dit lijkt meer op een hypermodern treinstation. Het contrast tussen de futuristische nieuwe vleugel en de achterwand van het oude museumgebouw is bizar. Ook optisch zijn ze van elkaar gescheiden; een lange strook dakramen zorgt ervoor dat oudbouw en nieuwbouw nergens samensmelten.

Vanuit de entreehal leidt een brede trap naar de nieuwe, ondergrondse zaal. Die is, met afmetingen van 22 bij 55 meter en een hoogte van zes meter, ronduit spectaculair. Door middel van uitschuifbare wanden is de ruimte in drieën te delen en dan nog zijn ze alle drie groter dan de vroegere erezaal van het museum. De strakke witte wanden en eikenhouten vloeren zijn hetzelfde als in de gerenoveerde uitbouw. Dat is bewust zo gedaan, vertelt architect Mels Crouwel. „Zodat exposities kunnen doorlopen van het oude naar het nieuwe deel. Bezoekers zullen straks niet eens doorhebben in welk deel van het gebouw ze zich bevinden.”

Prettig aan het nieuwe Stedelijk is dat het een duidelijke routing heeft, die je op een logische manier door het hele gebouw leidt. Vanuit de ondergrondse zaal neem je automatisch de roltrap die je in één keer van niveau min 2 naar de bovenste etage leidt, en die zich kan meten met de roltrappen van het Centre Pompidou of Tate Modern. Eenmaal boven loop je als vanzelf door een van de twee doorgangen de erezaal van de oudbouw in, om via de monumentale trap van het oude gebouw weer af te dalen naar de begane grond.

Crouwel: „Als je het museum in gaat, kom je pas aan het eind van het parcours weer terug in de entreehal. Die puzzel te laten kloppen, was het leukste aan het ontwerpproces van dit gebouw. Het museum zit heel eenvoudig en symmetrisch in elkaar. Bewegwijzering is niet nodig.”

Alle hoeken en gaten van het gebouw zijn gebruikt. Onder de oude trap, waar vroeger videokunst werd vertoond, is nu een zithoek voor gezinnen gemaakt. De wijkende buitenwanden van de badkuip zie je binnen terug in de vorm van het auditorium en het kinderatelier. Want dat, zegt Crouwel, is misschien wel het grootste misverstand over zijn museumontwerp. „Men denkt dat ik die vleugel heb ontworpen voor de show, maar hij is puur functioneel. De buitenmuur wijkt omdat er plaats moest komen voor de luchtroosters. Ook de luifel is er niet voor de blits, die weert de zon, zodat ik aan de zuidzijde toch hoge ramen kon maken. Die luifel zorgt er bovendien voor dat de gevel niet snel vies wordt. En als het regent, staan de rijen voor de kassa’s tenminste droog.”

En er is nog een praktisch punt waar Crouwel al over heeft nagedacht. De ondergrondse zaal van het nieuwe Stedelijk sluit nagenoeg aan op de kelderruimte van het naastliggende Van Gogh Museum. „Nu de directeuren van het Museumplein steeds meer samenwerken, is het een kleine moeite om daar straks een gangetje aan te leggen die beide musea verbindt.”