Lijp zijn en de tijd stil zetten, te paard of in wol

Dat gehobbel in het halfdonker duurt al minuten en de man op het speelgoedpaard gaat door. De voorstelling is Kleine Eyolf. Susanne Kennedy regisseerde. Ik zie haar werk graag, ze schiet altijd met scherp. Wie niet tegen ongemak kan, moet hier niet zijn. Wel wie vindt dat toneel een stomp tussen je ogen mag geven. Dit is het smerigste stuk van Henrik Ibsen, en dat zullen we weten ook. Het paard knarst. Krrr… krrr… krrr… als een krakend bed waar vreugdeloos aan bevrediging wordt gewerkt. Wat steken die knieën zwaar uit die korte broek. Dit joch past niet op dit houten paardje. Hij grijnst star. Krrr… krrr… krrr… Angstaanjagend is het. In de zaal zet iemand een applausje in. Omdat bijval uitblijft, houdt hij zijn geklap al snel weer bij zich. We zetten ons schrap. Krrr… krrr… krrr… Waar zag ik nou ook weer eerder een hobbelpaard op het podium? O ja, bij een uitvoering van Shakespeares Richard de Derde. Lang geleden, misschien wel vijfentwintig jaar. A horse! a horse! my kingdom for a horse! Krrr… krrr… krrr… Het gehobbel wordt met de seconde griezeliger. Hobbelpaarden zijn oorlogspaarden.

Er komt een vrouw op. (Horloge. Tien minuten pas?) Krijtwit. Nu is het gehobbel niet meer tegen ons gericht, maar tegen haar, die Ibsens akeligheden uitspreekt. De onderkaak van de acteur is gezakt, zijn ogen zijn lichte druppels.

Wat kijkt hij lijp.

Hij ís lijp. Hij is een verstandelijk gehandicapte acteur. Moet dat? Of is het aapjes kijken? Iedere goede acteur kan dit spelen, graag zelfs. Denk ik. Of niet? Nu marcheert het grote gruwelkind onstuitbaar rond. Zijn moeder vreest hem, walgt van hem. Hij moet weg. Viel hij maar dood. En tja, dat snappen we, want we zien geen aapje, dit is een onberekenbare gorilla. Niet geregisseerd, maar gedresseerd, tot en met zijn snorkende lachje, tot slot. Door die gemene gedachte te planten maakt Kennedy me medeplichtig. Ik schaam me. Au. Ibsens gemeenste stuk, inderdaad.

Ik bezoek het studentenfestival Mayday Mayday in Gent. Buiten in een steeg zit een wollen meisje. Mooi geval, knap gehaakt. Ik kijk om en realiseer me dat het geen pop is maar een echt en nietig mens in een gehaakt omhulsel. Ze beweegt haar voeten, neigt even met haar hoofd. Onverschrokken levert ze zich uit aan iedereen die haar passeert. Nu vind ik het nog mooier, omdat ik merk hoe ze mijn gevoelens provoceert. Wat doet ze zichzelf aan, hoe lang zit ze hier, en past er wel iemand op haar?

Naderhand vertelt de 21-jarige kunstacademiestudente Lulu Cuyvers dat het inderdaad heel eng is om te doen. „Ook omdat ik niks kan zien.” Dat heeft ze zelf zo gehaakt, en dat doet ze zichzelf aan. Vindt ze logisch: „Zij kunnen mij niet zien, ik kan hen niet zien.” Soms komen mensen heel dichtbij. „Ze raken me aan. Dat durven ze omdat ze mijn gezicht niet zien. Ze zeggen: O, het leeft! Het. Alsof ik een voorwerp ben. Ze proberen met me te praten maar ik zeg niks terug. Dan gaan ze soms schelden: Trut, waarom geef je geen antwoord?”

Wat wil ze? „De tijd stilzetten. Er is geen begin en geen einde, er is geen actie. Net als haken: een lus door een lus door een lus.” Hoe haakte je jezelf? „Gewoon. Ik begin bij mijn voeten en dan zo, omhoog.”

Hoe lang zit ze? „Zo lang mogelijk, tot ik niet meer kan of ik het te koud krijg. De eerste keer heb ik zes uren gezeten, dat was in mijn school. Elk uur komt er iemand kijken, en vraagt of ik los wil.”

Wat? Los wil?

„Ja, ik zit aan die stoel vastgehaakt. En mijn handen zitten ook vast. Ik moet losgehaald worden.”

Hoe is dit begonnen? „Met een stilleven: ik haakte een tafeltje in, met peren erop. De peren rotten weg, maar de gehaakte vorm bleef bestaan. Die peren hadden iets heel lichamelijks.”

Ik vraag waar dit toe zal leiden. Wil ze uiteindelijk een menselijk lijk inhaken? Ze zwijgt een tijdje. Zegt dan: „Dat was het vertrekpunt, ja. Als je mij ziet zitten, kun je bedenken dat niemand mij meer zou losmaken. Dan zou ik doodgaan en wegrotten.”

En haar vorm zou besmeurd blijven bestaan, net als van die peren.