Het grotere plaatje

Voor sommige journalisten geldt: hoe belangrijker de geïnterviewde, hoe belangrijker het interview. Dit kan soms waar zijn, maar ik houd erg van gesprekken met mensen onderaan de ladder.

In een restaurant bij Canary Wharf tref ik een accountant trainee. Hij is Engels, midden twintig en hij maakt een zelfverzekerde indruk. De afgelopen jaren heeft hij namens een van de grootste accountantkantoren de boeken gecontroleerd van een serie banken en financiële firma’s. Hij geeft zijn conclusie bijna schouderophalend: „Niemand bij een bank kan nog het hele overzicht hebben.”

Ik vraag mensen altijd graag wat ze het moeilijkste vinden om uit te leggen aan buitenstaanders over hun werk. Hij lacht: „Geen idee. Zodra ik iemand vertel dat ik accountant ben, is het gesprek ten einde.”

Met zijn team komt hij bij bedrijven thuis. Bij de kleine soms enkele weken, bij multinationals veel langer. „We praten met mensen die druk zijn, of die doen alsof. Ze willen niet dat we iets vinden in hun boeken, want dan moeten ze meer werken en denkt hun baas dat ze incompetent zijn. Sommigen raken gestrest van ons, maar de meesten werken mee.”

Er zijn perverse prikkels: „Als accountant moeten we iets vinden, zodat we tegen de klant kunnen zeggen: kijk eens wat wij hier hebben, hoe verklaar je dat? Hoe rechtvaardigen we ons tarief als we niks naar boven halen?” Maar ja, „hoe meer we vinden, hoe meer extra werk we moeten doen. Wie gaat die extra uren betalen? Of de klant, of wij – dat wil zeggen dat onze winst omlaag gaat.”

Zijn grootste ontdekking is hoe groot en complex de banken zijn geworden. „Veel bankenmensen met wie ik praat, hebben niet echt een idee hoe ze in het grotere plaatje passen. Dat heb je trouwens ook bij de rest van het bedrijfsleven. Mensen in een kantooromgeving lijken een soort ‘veilige zone’ te hebben, ze weten waar de grenzen liggen en daar blijven ze binnen.

„Vaak hebben ze gewoon geen antwoorden. Of beter, ze hebben antwoorden voor het gebiedje waar ze over gaan. Dan hebben ze een manager die dat allemaal moet overzien. Maar de manager heeft geen echte kennis, hij werkt met abstracties. Hij valt weer onder een hogere manager die er nog verder vanaf zit en zo verder.”

Dit zijn banken met meer dan 50.000 werknemers, die 24 uur per dag over zes continenten heen transacties verwerken met miljoenen klanten, bedrijven en overheden. Stel je de datastromen voor, zegt hij. „Je raakt het perspectief kwijt. Ik raak het perspectief kwijt.” Sommige banken en firma’s verwerken transacties van letterlijk triljoenen ponden per dag. „Dat soort operaties zijn zo groot geworden. Echt niet dat je nog alles gaat checken.”

Ze doen dus steekproeven, als accountants. Het lastigste vindt hij dat hun producten ontastbaar zijn. „Een schoenenfabriek maakt misschien verschillende soorten schoenen, maar het blijven schoenen. Banken hebben zulke uiteenlopende kasstromen en inkomsten. Ze werken met producten en instrumenten die compleet verschillend zijn van elkaar en zich compleet verschillend ‘gedragen’.” Als accountants hebben ze aparte teams moeten oprichten van specialisten die de financiële producten begrijpen, zoals ze ook aparte teams hebben gekregen van specialisten die de IT nog snappen.

Hoe moet het zijn om bovenop de piramide van dit alles te zitten? Hij snuift: „Als CEO van een bank kun je echt niet ieder algoritme of financieel instrument snappen dat je bank gebruikt. Maar CEO’s zorgen dat ze mensen om zich heen hebben die zeggen: maak je geen zorgen, alles is onder controle.”

Volg het blog van Joris Luyendijk over het leven in het financiële hart van Londen via Twitter (@JLbankingblog)