Het eurobreiwerk gaat scheuren

Europa desintegreert in financieel opzicht. In het zuiden verzwakken banken en overheden elkaar – en als het daar fout gaat, is de rekening voor Europa.

Economische groei tover je niet uit een hoge hoed, zeker niet zonder geld voor investeringen. De Duitse econoom Daniel Gros vindt het daarom verbijsterend hoe Europese politici, de nieuwe Franse president François Hollande voorop, hameren op dat ene woord: groei.

In zijn kantoor van de Brusselse denktank Ceps heeft Gros er zelf geen minuut voor over. Hij noemt de discussie over ‘bezuinigingen versus groei’ „een schijndebat” dat de oplossing van de eurocrisis geen stap dichterbij brengt.

Het echte debat, zegt hij, zou moeten gaan over banken, in het bijzonder die in Zuid-Europa. Daar gaat het veel slechter mee dan gedacht. Zo slecht dat een nieuwe bankencrisis dreigt, waarvan de rekening, net als tijdens de vorige, betaald zal worden door de belastingbetaler. Ook die in Noord-Europa.

Eerder deze week zakte de Spaanse bank Bankia in. En dat is pas het begin, zegt Gros. „Griekse en Spaanse banken zitten op een groeiende schuldenberg. Alleen Europa kan hen redden, de Griekse en Spaanse overheden zijn te zwak. Dit is een Europees probleem van de bovenste plank.”

Wat is er aan de hand?

Vorig jaar gingen Europese banken onder grote politieke druk akkoord met zogenoemde haircuts, de kwijtschelding van schulden van de Griekse staat. Sindsdien trekken die banken zich terug uit de zuidflank van de eurozone – voordat er wéér haircuts worden uitgedeeld. Spanje, Italië en Portugal worden massaal door buitenlandse investeerders in de steek gelaten. In Griekenland is de volgende fase al begonnen: ook de Grieken zelf brengen hun geld naar het buitenland. Deze kapitaalvlucht is volgens Gros enorm. „Vier, vijf, zes miljard euro per maand. Niemand kan dat stoppen.”

Vanuit Noord-Europese banken en pensioenfondsen bezien is dit begrijpelijk. Het zuiden is een risicogebied. Bij de vorige bankencrisis liepen de noordelijke banken daar grote klappen op, omdat ze daar toen nog grote belangen hadden. Internationale investeerders verkopen hun staatsobligaties, ooit veilige beleggingsobjecten, die nu als ‘riskant’ worden bestempeld. Ze willen weg zijn voordat er wéér haircuts worden uitgedeeld. Deze obligaties worden opgekocht door nationale banken. Griekse banken kopen Griekse schuld, Spaanse banken kopen Spaanse schuld, enzovoort. Ze doen dit deels onder druk van de overheid, die in ruil voor dit papier goedkope leningen van hen krijgt die ze op de financiële markten niet meer krijgt.

Maar voor eurozone is de tweedeling die nu in het financiële stelsel ontstaat rampzalig. Als de klap komt, zullen Noord-Europese banken die misschien minder voelen, maar eurolanden, inclusief Noord-Europese, des te meer. De leden van de eurozone zullen die ditmaal helemaal zelf moeten opvangen, via het Europese reddingsfonds ESM, waarin alle eurolanden geld storten, en de Europese Centrale Bank (ECB).

Het risico is, kortom, van de particuliere naar de publieke sector verschoven.

Deze ontwikkeling gaat hand in hand met een andere, die minstens zo kwalijk is: door het vertrek van Noord-Europese banken raken die in Zuid-Europa steeds dieper in de schulden. Want dezelfde staatsobligaties die worden gedumpt door buitenlandse investeerders kopen de Zuid-Europese banken juist op. Ze doen dit onder druk van hun regeringen, maar ze doen het ook omdat ze er goed aan kunnen verdienen. Want in ruil voor deze gunst sluiten overheden weer nieuwe leningen af bij de banken, tegen voor de banken gunstige rentetarieven.

Heel gunstige zelfs. Afgelopen winter verstrekte de ECB voor duizend miljard euro aan spotgoedkope kredieten, om het Europese leningenverkeer op gang te houden. Zuid-Europese banken gebruiken die kredieten, tegen een rente van 1 procent, maar al te graag voor hun eigen leningen aan overheden, waar 6 procent of méér op zit. Een daad van patriottisme die hen geen windeieren legt.

Het lijkt een oplossing, maar het zorgt ook, zo blijkt nu, voor een perverse dynamiek: banken en overheden raken zó afhankelijk van elkaar dat ze elkaar verzwakken. Banken in zuidelijke eurolanden, van wie de meeste ongeschonden door de kredietcrisis van 2008 kwamen, raken nu alsnog beschadigd door de schuldencrisis. Ze steken zich steeds dieper in de schulden en zitten steeds meer opgezadeld met staatsobligaties die van de een op de andere dag minder waard kunnen worden.

„Griekse banken zijn totally cooked”, zegt econoom Gros. Dat lijkt een nationaal probleem. Maar dit is optisch bedrog. Het is een Europees probleem. Want wat als de zuidelijke banken hun leningen aan de ECB opeens niet (kunnen) terugbetalen? „Je zit allemaal in hetzelfde systeem vanwege de euro”, zegt Thierry Philipponnat van lobbygroep Finance Watch. „Alles gaat wrikken, op deze manier.”

De ECB, dat zijn wij, indirect, allemaal. Andere eurolanden zullen moeten bijspringen als het misgaat in Zuid-Europa, simpelweg om de Europese muntunie te redden. Daarom is de druk op de ECB juist vanuit Duitsland en Nederland groot om met deze goedkope leningen te stoppen.

De financiële interne markt is het fundament van de euro. De Europese munt functioneert omdat alle eurolanden grotendeels dezelfde regels hanteren voor de financiële sector, elkaars banken niet discrimineren en kapitaal zonder obstakels door de eurozone kan stromen. De kapitaalvlucht van zuid naar noord beschadigt dit weefsel. „De financiële integratie van Europa gaat voor het eerst sinds begin jaren tachtig achteruit”, zegt Ignazio Angeloni, adviseur van de ECB in Frankfurt.

De Fransen hebben daar een prachtig woord voor: détricotage. Als een breiwerk dat je uithaalt.

Banken trekken zich achter landsgrenzen terug: om in het ene land sterker te zijn, geven ze een ander land weinig leningen meer. Daarbij komt dat nationale centrale banken voor het eerst in de geschiedenis van de euro niet meer dezelfde onderpandregels hanteren voor banken die leningen willen. Centrale banken in het noorden zijn strenger dan die in het zuiden. De symboliek hiervan is omineus: het toont aan dat het systeem onder spanning staat en dat een aantal deelnemers de spelregels afwijst.

„Geografie speelt opeens een rol”, zegt lobbyist Philipponnat. Een Londense bankier merkte dat onlangs toen hij een Chinese delegatie op bezoek kreeg. Eerste vraag van de Chinezen: „Hoe onderscheiden we een Grieks van een Duits eurobiljet?”

Nog een voorbeeld van financiële desintegratie? Bij onderhandelingen over Europese kapitaaleisen aan banken, in april, beschuldigden diplomaten elkaar ervan Europa kapot te maken. De toon was soms ongekend vilein. Allemaal gingen ze, volgens een Europees ambtenaar, „pal voor hun nationale banken liggen”. Zijn conclusie? „Dit is oorlogvoering, maar dan met geld.”

Alleen een Europese bankenunie, zeggen velen, kan banken en overheden uit deze verstikkende omhelzing bevrijden. Een bankenunie met een reddingsfonds dat door banken zelf wordt gespekt, zodat overheden geen faillissementen meer hoeven op te vangen. Het nu bestaande dilemma van ‘too big to fail’, waarbij grote banken zich alles kunnen permitteren omdat ze als het misgaat toch wel door de overheid zullen worden gered, zou daarmee worden opgelost. Als ze pijn zelf voelen, zullen ze risico’s anders gaan inschatten.

De Europese Commissie heeft een voorstel klaar. Maar publicatie wordt al twee jaar uitgesteld omdat lidstaten het niet willen. Want er hoort krachtig Europees toezicht bij. Dat betekent het overdragen van nationale soevereiniteit en dat is voor veel landen moeilijk of niet bespreekbaar. Regeringen doen alles om het vorig jaar opgezette Europees toezicht op banken, verzekeraars en financiële markten marginaal te houden. Ze delen te weinig informatie of besteden er te weinig geld aan, zodat hun eigen nationale toezichthouder de baas blijft.

Zo draait Europa in kringetjes rond. Omdat regeringen geen sterk Europees financieel regelsysteem willen, stijgt de kans dat de belastingbetaler Europese rekeningen krijgt toegeschoven, in de vorm van miljarden verslindende reddingsacties. En dan blijft er bitter weinig geld over om economische groei te stimuleren, zoals François Hollande nu propageert.

„De grootste bedreiging van de Europese financiële stabiliteit is het feit dat eurolanden gefinancierd worden door banken die, als ze failliet dreigen te gaan, zelf afhankelijk zijn van de overheden aan wie ze geld lenen”, zei Philipponnat onlangs tijdens een door de ECB georganiseerde conferentie. „We weten allemaal dat dit niet kan werken.”

Als banken en overheden eenmaal in een neerwaartse spiraal zitten, komen ze er moeilijk uit. Philipponnat merkte tijdens de conferentie op dat de best functionerende Europese instelling – de ECB – dit fenomeen voedt met haar goedkope leningen aan banken en dus aan de financiële desintegratie meewerkt. Na afloop kwamen andere deelnemers naar hem toe. Goede speech, zei één van hen. „Maar was het per se nodig dat je dit hardop zei?”

Caroline de Gruyter