Doorbreken in booming Brazilië

In Brazilië pronk je met James Joyce. Maar hoe doet de vertaling van het Zeeuwse Dorsvloer vol confetti van Franca Treur het in Rio? Reisverslag van de schrijfster.

Franca Treur neemt in Brazilië een kijkje achter de schermen van de culturele wereld: „Blote feestjurken dragen de vrouwen hier niet.” Illustratie Siegfried Woldhek

Het vliegtuig van São Paulo naar Rio de Janeiro is minstens een uur vertraagd. Ik zie stress bij Marcelo Melo, mijn Braziliaanse uitgever, en bij Isabel Malzoni, de redacteur.

Marcelo, 45 jaar oud, rijk geworden door een lucratieve deal met Elsevier en bedreven in dingen ‘even regelen’, haast zich naar een balie. We zijn onderweg naar de PUC, een katholieke universiteit in Rio. Over een paar uur word ik daar geïnterviewd over mijn roman, Dorsvloer vol confetti, die in het Braziliaans-Portugees is vertaald.

Brazilië is booming. Met de groei van de economie ontstaat ook een nieuwe middenklasse, mensen die nu het geld hebben om boeken te kopen, potentieel publiek voor mijn roman.

Op scholen, zo vertelde Marcelo mij, wordt tegenwoordig aan leesbevordering gedaan. Kinderen lezen hedendaagse schrijvers in plaats van de qua taal ontoegankelijke klassieken. Zijn vijftienjarige zoon krijgt extra punten als hij voor in de klas een gedicht kan opzeggen. In São Paulo liggen stapels van mijn roman in de boekwinkels. Terwijl mijn redacteur in Nederland me waarschuwde nergens op te rekenen, zie ik, door het enthousiasme van Marcelo, plotseling stranden van Ipanema en Copacabana voor me, vol lezers van Confetes na Eira.

Marcelo komt geslagen terug: geen vliegtuig dat eerder naar Rio gaat. Dit keer valt er even niets te regelen.

Ter ere van mijn komst heeft hij een paar dagen geleden een cocktailparty georganiseerd met onder anderen een stuk of acht journalisten, van Marie Claire tot Globo. Bijna allemaal gaan ze over mijn boek schrijven, of ze hebben het al gedaan. Ook zijn er drie vrouwen van een extern pr-bureau die mijn boek in de markt gaan zetten. De party werd gesponsord door Heineken.

In de tijd die ik doorbreng met Marcelo’s familie en vrienden – hij is bijzonder gastvrij – ontdek ik dat in zijn kringen literatuur westerse literatuur betekent. Wanneer ik vraag naar Braziliaanse auteurs als Rubem Fonseca, die ik aan het lezen ben, naar João Guimarães Rosa, Alejandro Zambra, mijn laatste ontdekking uit Chili, krijg ik weinig respons. In zijn boekenkast staan gloednieuwe edities van À la recherche du temps perdu, alle werken van William Shakespeare, Emile Zola, Victor Hugo, Jose Saramago, Fernando Pessoa, Oscar Wilde, Umberto Eco, alles van Sigmund Freud, twee complete series met alle westerse filosofen. Noord-Amerika is vertegenwoordigd met Moby-Dick, T.S. Eliot, Philip Roth en Saul Bellow.

De oriëntatie op Europa lijkt een breder fenomeen. De tafelgesprekken gaan over Parijse restaurants, Franse en Italiaanse wijn, musea in Londen. Intussen luisteren we naar Bach. In een boekwinkel in São Paulo staat het boek Hoe word ik een Parisienne op nummer 1. Mijn boek had Marcelo opgepakt bij de stand van uitgeverij Prometheus op de Frankfurter Buchmesse.

Typisch Braziliaans zijn dan weer de hoge hekken voor elk respectabel huis, de beveiligers overal. Marcelo heeft voor de weekends een buitenverblijf op een compound die Quinta Baroneza heet, een compleet en uitgestrekt dorp met luxe villa’s en een golfterrein. Terwijl je er nergens harder dan 30 kilometer per uur mag rijden, pronkt de buurman er met zijn Ferrari.

Ook wordt er op arbeidskrachten niet bezuinigd. In een hotel staan soms vijftien mensen klaar om je te helpen. Marcelo’s gezin (twee kinderen) heeft een permanente zwarte hulp in de huishouding, plus een chauffeur, een tuinman en een weekendhulp die met ‘nega’ wordt aangesproken. „Ja, gek hè, ze wil dat we haar nega noemen, terwijl ze niet eens pikzwart is.” Ze wordt ’s morgens gebracht door een bus die alle hulpen bij alle villa’s afzet. ’s Avonds pikt de bus hen weer op en brengt ze tot buiten het hek. De hulpen zijn zonder uitzondering zwart, sommigen dragen een wit schortje.

Koninginnedag in Rio

In Rio de is men intussen woedend dat we mogelijk te laat gaan komen. Er is veel organisatie aan voorafgegaan, met name door Patricia Broers, medewerker van het Nederlandse consulaat. Zij hamert er al dagen op dat het verkeer in Rio onberekenbaar is. Hoewel het in mijn schema nauwelijks paste, had Patricia erg aangedrongen op een event in Rio. Om haar woorden kracht bij te zetten, vervroegde het consulaat de Koninginnedagparty met een paar dagen, zodat ik daar vanavond eregast kan zijn.

Het consulaat heeft ook Cristiano Zwiesele do Amaral, de vertaler van Dorsvloer vol confetti, speciaal voor het evenement over laten vliegen vanuit Amsterdam. Hij gaat me interviewen voor een publiek van docenten en studenten van de PUC.

Om op het vliegveld de tijd te doden vertel ik tegen Isabel dat ik de eerste pagina van mijn roman kan voorlezen in het Portugees. Een Portugese vriendin heeft me de uitspraak geleerd.

Isabel reageert verschrikt: je mag alleen Engels praten, dat hebben we afgesproken, anders kunnen de tolken hun werk niet doen.

Ik zeg dat Cristiano vloeiend Nederlands, Engels en Portugees spreekt. Nog meer vertalers lijkt me onnodig verwarrend. Moet dat per se? Ja dat moet. We mogen het auditorium van de vertaalafdeling van de universiteit gebruiken. In ruil daarvoor moet het evenement interessant zijn voor literatuur- en vertaalstudenten. De twee tolken zijn part of the deal.

Op de borden verschijnt intussen de mededeling dat we onmiddellijk aan boord moeten. We lopen naar de gate, maar er is geen vliegtuig te bekennen. We wachten nog een uur. Ook ik krijg inmiddels flink de zenuwen.

Marcelo haalt een boek uit zijn tas: Ulysses van James Joyce. Ik zie hem er al dagen mee rondlopen, van afspraak naar afspraak, zijn blackberry er bovenop. Er schiet een citaat door mijn hoofd uit Moord in Rio van Fonseca: „De lezer wilde een dik boek, een goede smoes om te kopen en niet te lezen.” Marcelo geeft met name businessboeken uit, maar hij heeft sinds kort ook een imprint met literatuur. Het eerste literaire boek van de imprint is zijn eigen debuutroman. Hij vertelt dat hij op een zeker punt in zijn leven kwam dat hij liever schrijver wilde zijn dan uitgever.

Twee boeken per jaar

Dat ik in Nederland 150.000 boeken heb verkocht vindt hij zo indrukwekkend dat hij het in een oranje balk op de cover van de vertaling heeft laten zetten. Ik zeg dat dat voor Braziliaanse begrippen natuurlijk niks is, maar volgens Marcelo is het tegendeel waar. Hoewel alleen al in São Paulo evenveel mensen wonen als in Nederland, kost het hem veel moeite van een literaire roman een paar duizend boeken te verkopen. Brazilianen lezen gemiddeld twee boeken per jaar. Veel nieuwe rijken hebben vroeger nooit geleerd te lezen, en zeker geen literatuur. Ik stel mijn verwachtingen wat bij.

Het vliegtuig arriveert, na ruim een half uur vliegen zijn we in Rio. Nu nog een uur met de auto, ook hier in Rio denk ik telkens dat we een gevangenis passeren, terwijl het om beveiligde appartementen en overheidsgebouwen gaat. Het verkeer, hoewel chaotisch, valt gelukkig mee, we arriveren precies op tijd bij de universiteit. Bij de ingang staat Patricia te wachten, samen met de consul zelf, plus een dichter, en de oma van Isabel. Kennelijk woont zij in Rio.

In het auditorium zitten twee vertalers in een voor hen veel te krap glazen hokje. Ze hebben hun koptelefoons al op. Ik krijg er ook een, voor het publiek liggen er koptelefoons op de stoelen. Cristiano zal mij vragen stellen in het Portugees. In mijn oor krijg ik dan de Engelse vertaling, ik antwoord in het Engels, de tolk vertaalt wat ik zeg simultaan in het Portugees.

Het gaat beginnen. Cristiano en ik nemen plaats achter de tafel. Ik ren nog snel een keer naar de wc. Controleer mijn kleding. Ik draag een spijkerbroek en een jasje, niet een van de blote jurken die ik voor de gelegenheid in mijn koffer had gestopt. Denk je aan Brazilië, dan denk je aan cocktailjurken, maar in de scene waar ik terechtgekomen ben, dragen de vrouwen dure en hooggesloten blouses en vesten.

Nu moet het gebeuren. Ik spreek niet graag Engels voor een groep. Ik neem een slok water. De Braziliaanse vlag hangt achter mij. Ik sta op het punt om door te breken in dit gigagrote land.

Er blijken opeens twee problemen te zijn. Een: er zit een enorme piep in de koptelefoons. En twee: er is geen publiek. Geen docent, geen student, niemand niet.

Wat dat tweede punt betreft, ik lijk de enige te zijn die het opmerkt. Cristiano gaat staan, pakt de microfoon, hoewel de dichter, de consul, de oma en Isabel op de voorste rij zitten, en we bij wijze van spreken zouden kunnen fluisteren.

Hij heet iedereen bijzonder hartelijk welkom, introduceert mij als was ik Simone de Beauvoir. De tolken komen om beurten naast me zitten, ze vertalen Cristiano’s woorden in het Engels en mijn woorden in het Portugees. We weten allemaal dat iedereen Engels spreekt, maar vertalen is nu eenmaal part of the deal.

Na anderhalf uur krijg ik applaus. Er zijn nog vragen van de dichter, de consul en van Isabel. Ik bedank de tolken met een blikje babbelaars.

Iedereen tevreden, zegt Cristiano na afloop buiten onder de palmbomen. En dat is wat ook de consul twittert: ‘CONFETES NA EIRA launched in Rio’. Hij woont al langer in Brazilië.