Deze expositie is beter als u niet gaat kijken

De Franse kunstenaar Alexandre Singh werkt vijf maanden lang in een openbaar atelier in Witte de With aan zijn nieuwe toneelstuk.

Alexandre Singh drinkt Senseo. Tenminste, dat zou je kunnen afleiden uit de blauwe Senseo-machine die in de hoek staat van zijn tentoonstelling in Witte de With. Het apparaat staat er wat verloren bij (ondanks de fles Spa blauw en de rode zak met Douwe Egberts-pads ernaast) zodat de gedachten onwillekeurig teruggaan naar de installatie die Singh vorig jaar inrichtte op de kunstbeurs van Basel. Daar pronkten in een klein, verduisterd hok drie spierwitte sokkels, van verschillende hoogte. Op elke sokkel stond een voorwerp dat door een assistent regelmatig werd verwisseld – een pakje sigaretten, een halfvol glas wijn, een veer, een rode heliumballon. Die waren, zo bleek al snel, met elkaar verwikkeld in ingewikkelde filosofische conversaties. Je hoorde het sigarettenpakje piekeren over de dood en zijn entree in de Hades, de ballon dacht na over vrije wil en het lucifersdoosje sprak lispelend over waarheid en lotsbestemming – doordat de sokkels tevens geluidsboxen waren trilden de objecten een beetje als ze spraken, alsof ze opgewonden waren over hun eigen filosofische inzichten. Het was een absurd toneelstuk, maar zo aanstekelijk dat je het hok vrolijk en geprikkeld verliet.

Dat is wel anders op Singhs nieuwe expositie, waar je na een kwartiertje de onbedwingbare neiging voelt je te identificeren met het blauwe Senseo-apparaat. Voor deze expositie ontwikkelde Singh (1980) namelijk samen met Defne Ayas, de nieuwe directeur van Witte de With, een voor Nederlandse begrippen opmerkelijk concept. Tot eind oktober werkt de Franse kunstenaar (die internationaal geldt als een groot talent) op de tweede verdieping van het kunstinstituut fulltime aan zijn toneelstuk The Humans – noem het een openbaar atelier, inclusief symposia, discussies en opvoeringen.

De tweede verdieping werd eerst grondig verbouwd. In de voormalige expositiezalen staat nu een kantoor (computers, stapels boeken, blauwe Ikea-tassen), er is een werkplaats (inclusief een snijtafel en een buitenformaat printer), een schrijfkantoor, een discussieruimte, een bibliotheek en een ‘opvoeringsruimte’. Gezamenlijk biedt het Singh de gelegenheid optimaal te werken aan zijn stuk, dat volgens de korte perstekst niets minder nastreeft dan „de schepping van een nieuwe wereld”. In die zin valt het inrichten van een atelier, plaats van schepping, dus mooi samen met de inhoudelijke thematiek. Dat wordt nog eens benadrukt doordat Singh op zijn planborden, tekeningen en teksten nadrukkelijk naar de klassieken verwijst (vooral Aristophanes) – de bronnen, de oerteksten en -beelden van onze cultuur, de tijd waarin een flink deel van het fundament van onze manier van kijken naar de wereld werd ‘geschapen’. Singh gaat, kortom, ‘live’ een schepping over scheppen scheppen en wij, toeschouwers scheppen vrolijk mee – in ons eigen hoofd.

Hoewel?

Leeg atelier

Want daar begint natuurlijk het gelazer. Als ik op de eerste zondagmiddag na de opening Singhs ‘werkplaats’ betreed is het atelier leeg. Geen assistenten, geen Singh, alleen een vriendelijke baliemedewerker die meldt dat hij geen idee heeft of de kunstenaar nog van plan is te komen. Natuurlijk mogen we rondkijken. Maar dan merk je wel heel snel dat dit lege atelier toch wel erg op een leeg atelier lijkt, ondanks de kleine selectie aan beelden, tekeningen en collages die Singh al ophing, en die nu vooral fungeren als stukken van een puzzel die nog lang niet af is. Duidelijk wordt bijvoorbeeld al wel dat een berg een belangrijke rol in The Humans gaat spelen, dat het stuk (inderdaad) vol zit met verwijzingen naar de klassieken en dat er een hoofdpersoon in optreedt die Charles Ray heet – ongetwijfeld niet toevallig ook de naam van een bekende Amerikaanse conceptuele beeldhouwer.

Maar het geheel voelt ook enorm doods aan. Of preciezer: lopend door Singhs atelier-annex-kunstwerk besef je opnieuw hoezeer musea, kunstinstellingen bestaan bij de gratie van het idee dat ze voorwerpen, objecten extra betekenis geven. Precies dat idee wordt hier genadeloos afgepeld: als toeschouwer ga je op zoek naar betekenis, naar ideeën, om al snel tot het besef te komen dat hier het omgekeerde speelt: juist doordat Singh van de ruimte een atelier heeft gemaakt, een plek waar betekenis nog geschapen moet worden, is de ruimte zelf ontdaan van alle dubbelzinnigheid – zelden betekenden voorwerpen in een museum minder. Alsof Singh zijn scheppingssaga begint door het scheppingsproces eerst maar eens tot op het bot toe af te kluiven. Kijk maar, een atelier is een kantoor is een werkplaats is een kantoor. En nu?

Alleen: je kunt je afvragen of iemand daar getuige van wil zijn. Vijf maanden lang. Inclusief entreekaartje. Of wordt het geheel misschien aantrekkelijk als we de kunstenaar inderdaad aan het werk zien – dat er dan iets gebeurt, iets vonkt, iets overspringt. Of wil Singh nu juist afrekenen met de overschatting van de romantische mythe? Hoe het ook zij: zonder Singh, zonder leven, is The Humans een diepsaaie tentoonstelling – en precies op het moment dat ik dat constateerde kwam-ie natuurlijk binnen.

Kunstenaar aan het werk

Meteen veranderde de dynamiek. De portier riep iets te luid naar de kunstenaar dat er „an art critic” rondliep – en inderdaad, Singh sloeg aan het scheppen. Of beter: hij liep door naar het afgesloten kantoorgedeelte waar ik hem kon zien staan, achter een glazen ruit, achter zijn computer. Checkte hij zijn mail? Moest ik hem nu iets vragen? Die twijfel werd nog groter doordat Alexandre Singh verdacht veel bleek te lijken op de Rotterdamse schrijver Ernest van der Kwast (bekend om zijn dagelijkse kopjes espresso). Was dit een grap?

Na nog wat dralen (tekening bekijken, op de module zitten) zag ik hem ineens door de ruimte schuiven – hij torste een blad met een theepot en kopjes. Alexandre Singh bleek een vriendelijke, wat bedeesde man, die niet de indruk wekte dat hij deze ateliersituatie als een complex conceptueel statement beschouwde, laat staan dat hij was voorbereid op vragen. Nee, sprak hij bedeesd vanachter zijn Van der Kwast-bril, hij had vooral een grote ruimte nodig om aan het stuk te kunnen werken en dit was de grootste in het gebouw van Witte de With. En nee, hij wilde niet echt een statement maken over het romantische kunstenaarschap – het blad met thee wiebelde in zijn handen en hij vertrok schielijk zijn kantoor in. Toen ik even later terugkwam was er een tweede rolluik neergelaten.

Het rare is: Singh is onmiskenbaar een veelbelovende kunstenaar, je weet nu al dat dit project in het buitenland veel belangstelling zal genereren en zijn Basel-installatie was een van de beste van het afgelopen jaar. Maar toen ik Witte de With verliet besefte ik dat The Humans typisch zo’n project is waar je niet bij moet zijn, maar waar je over moet horen. Een project dat een mythe wordt, als Alexandre Singh eenmaal een grote naam is (wat je bepaald niet mag uitsluiten). Een project waarover heel veel mensen zichzelf voor hun hoofd slaan dat ze het hebben gemist, terwijl de mensen die er waren zich wanhopig proberen te herinneren wat er ook alweer zo interessant aan was.

Dat is misschien wel Singhs eerste les aan de toeschouwer: in essentie laat de schepping zich niet aanschouwen. Als we wisten hoe God het allemaal had gedaan, was er geen religie geweest. Als kunstkijker moet je vertrouwen op de kracht en de ongrijpbaarheid van het resultaat. The Humans-de tentoonstelling kun je kortom beter niet gaan zien. Vervolgens bezoek je uiteindelijk wel het stuk om je daar (als het goed is) te verbijten over het feit dat je de schepping hebt gemist. De spanning, de fantasie die dat oplevert, is ongetwijfeld mooier dan Singhs live-atelier in werkelijkheid ooit zal worden. En dat is natuurlijk de kunst.

Alexandre Singh: ‘The Humans’. T/m 28 okt in Witte de With, Rotterdam. Di t/m zo 11-18u. Inl. www.wdw.nl