De Bovenbazen

‘Dat is ook zo,’ hernam heer Ollie, terwijl hij zijn auto met vaste hand in de richting van een benzinepomp stuurde. ‘Ik moet alleen maar even mijn geld tellen. Voor de belastingen, die vinden het belangrijk. Voor mij speelt het geen rol, dat weet je.

“Ollie, jongen,” zei mijn goede vader altijd, “of je Alles hebt of niets, een Bommel blijft een Bommel.” En daar houd ik mij aan.’

Zo sprekende remde hij voor de pomp en vroeg om benzine.

‘Wat mag het zijn?’ vroeg de bediende beleefd. ‘Ultra? Het nieuwste, meneer! Hoog octaangehalte en felle verbranding. Maakt van uw motor een olifant!’

‘Nee, nee,’ zei heer Bommel, ‘geef mij maar gewone. Anders verbranden mijn klepjes en mijn uitlaat en dat mag ik de Oude Schicht niet aandoen.’

Deze woorden werden opgevangen door enige voorbijgangers, die in de schaduw passeerden.

‘Toch een gevaarlijk iemand!’ prevelde de kleinste, korzelig de pas vertragend. ‘Onmaatschappelijk. Er moet versleten en verbrand worden. Verteerd en weggegooid. Anders wordt er niet verdiend, begrijp je, Steenbreek?’

‘Ja meneer,’ gaf de secretaris toe.

‘Goed,’ hernam zijn werkgever. ‘Zorg dan dat hij in de gaten gehouden wordt. Onder controle, Steenbreek. En noem me geen meneer. Ik ben geen minvermogende.’