Brieven CS

Cultureel ondernemen

Wat een warrig beeld heeft u geschapen van het begrip cultureel ondernemerschap in het CS van 3 mei. Het artikel van Sandra Smallenburg is een relaas over de kunstbiënnale van Berlijn die dit jaar een verzameling maatschappijkritische kunst laat zien. In de tekst lezen we dat de samensteller van de biënnale, Artur Zmijewski, zich afzet tegen het „calculerende, het marktconforme, de korte termijn en het businessplan” binnen de kunstensector. Daaraan voegt de redacteur toe: „In Nederland noemen we dat cultureel ondernemerschap”. Nog even afgezien of de lezer in het op zich erg interessante artikel zit te wachten op zo’n opiniërende stijlbreuk, is de opmerking zelf zeer bezijden de praktische en theoretische realiteit.

Cultureel ondernemerschap, een term door mij in 1992 geïntroduceerd, staat voor een mentaliteit – zelf verantwoordelijk zijn voor de culturele bedrijfsvoering van je organisatie – en methode: manieren vinden om tot een gezonde bedrijfsvoering te komen op de gebieden programmering, financiën, personeel en marketing. Voor de overheid is een taak weggelegd het democratische gehalte van cultuurbeleid te bewaken en in brede zin te stimuleren. Deze benadering wordt nationaal en internationaal gedeeld. Mijn onderzoeksgroep ondersteunt groepen, met name ook van jonge kunstenaars en vormgevers, om tot een duurzaam cultureel ondernemerschap te komen. De verwarring zit in het feit dat ook de aanpak van staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, in zijn neoliberale visie („weg van de overheid, de markt centraal”) het begrip cultureel ondernemerschap gebruikt. Elders heb ik erop gewezen dat deze aanpak haaks staat op het maatschappelijk betrokken cultureel ondernemerschap dat alom in de sector zijn intrede heeft gedaan én gebruikt wordt door met name culturele adviesraden en particuliere fondsen. Nu de staatssecretaris zijn koffers moet pakken wegens het wegvallen van het gedoogakkoord van VVD, CDA en PVV is het ook gedaan met deze neoliberale opvatting.

Overigens: de val van het gedoogkabinet maakt geen einde aan het streven de culturele en creatieve sector te versterken door cultureel ondernemerschap. De resultaten die in Nederland – samen met de overheid – op dit punt geboekt zijn, spreken vele landen aan. Landelijke commissies onder leiding van Martijn Sanders (culturele sector) en Robbert Dijkgraaf (kunstonderwijs) bevestigden deze reputatie en pleitten voor verder gaande stappen. Ook in wetenschappelijke zin loopt Nederland voorop met leerstoelen in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht.

Hoogleraar kunst en economie Universiteit Utrecht/Hogeschool voor de Kunsten Utrecht