Autoschade

Aan de overkant van mijn straat zag ik een forse, zwarte auto inparkeren achter een kleine, rode Fiat. Het was aan het begin van de avond en het gebeurde terwijl ik voor mijn raam een telefoongesprek voerde. Daardoor drong pas met enige vertraging tot me door wat er gaande was.

De chauffeur van de zwarte auto had grote moeite om zijn auto ingeparkeerd te krijgen. Dat kwam doordat de Fiat te ver achterin zijn vak stond opgesteld. Bij zijn laatste moeizame manoeuvre leek de zwarte auto de achterzijde van de Fiat te schampen, maar de chauffeur zette, de wanhoop vermoedelijk nabij, genadeloos door en wrikte zich het vak binnen.

Hij stapte uit, zwetend, maar voldaan.

Uit zijn kofferbak diepte hij een rugzak op die hij meteen over zijn schouders trok. Toen liep hij naar de voorkant van zijn auto en wierp een snelle blik op de bumper. Daarna draaide hij zich om en keek naar de achterzijde van de Fiat. Even bleef hij staan, als iemand die tijd nodig had om iets te verwerken.

Toen leek hij zich te vermannen, draaide zich om en liep met stevige pas naar de hoek van de straat, een meter of vijftig verderop. Maar hij was nog niet halverwege of hij bleef staan, draaide zich weer om, haastte zich terug naar zijn auto, deed zijn rugzak af, gooide hem in de kofferbak, stapte in, startte en reed snel weg.

De scène had kort geduurd, maar niettemin zoveel indruk op mij gemaakt dat ik mijn telefoongesprek verstrooid beëindigde.

Ik had een man gezien die een belangrijk gewetensconflict in luttele minuten met zichzelf had moeten uitvechten. Zou hij een fatsoenlijk mens zijn of niet?

Hij kon een briefje met zijn persoonlijke gegevens onder de ruitenwissers van de Fiat achterlaten. Hij kon het ook laten, de stad ingaan en eventuele gevolgen afwachten.

Maar om elk gelazer te voorkomen, was het misschien wenselijk het zekere voor het onzekere te nemen – en te maken dat hij wegkwam.

Ik liep naar de overzijde om de achterkant van de Fiat te bekijken. De schade viel nogal mee: wat krasjes die je pas zag als je goed keek. Geen gewetensconflict waard.

Aardige anekdote, zal de lezer nu hopelijk denken, interessant inkijkje in de menselijke psyche, maar was dat voor vandaag alles, Abrahams, moeten we daarmee de nacht ingaan? Nee, dat hoeft niet. Ik besef dat ik nu de verdenking op me laad dat ik fantaseer, maar ik mag het vervolg niet verzwijgen.

Ik besloot een korte wandeling te maken en liep de straat uit. Nauwelijks was ik de hoek omgeslagen, of ik zag in de smalle straat een grote, groenige auto in hoog tempo achteruitrijden. Plotseling waaide het rechterportier open en ramde met het nodige geraas enkele auto’s die aan de rechterkant van de straat geparkeerd stonden.

De automobilist stopte, stapte uit, liep om zijn auto, inspecteerde vlug zijn portier, keek om zich heen, zag mij in de verte naderen – er was verder niemand te zien –, dook zijn auto in en spurtte weg.

Ik liep naar het rijtje geparkeerde auto’s. Eén ervan, een grijze, had forse schade: een gebutst portier en een aantal diepe, horizontale krassen. Dat ging de eigenaar zeker duizenden euro’s kosten. Nu pas viel me in dat de dader niet eens de moeite had genomen de andere auto’s te bekijken. Kijken was schuld bekennen, moest hij gedacht hebben.

De enige die keek, was ik – gestuurd door iets wat je, zoals de schrijver Paul Auster deed, de muziek van het toeval zou kunnen noemen.